Hendrikje Oelen en Dick Wassenaar 12 April 1926 – 8 Februari 1947

Muskegon Michigan, Peck Street, April 12 1926

brief-hendrikje-oelen-2“Geachte Neef en Nichte, Arend Kikkert en Roelofje Oelen. Uw brief heb ik den 22ste Maart ontvangen en heb dadelijk die voor Hilbert van Oom Seine aan hun gestuurt. Ik had u ook al eerder moeten antwoorden maar ik heb het tegenwoordig erg druk en dan zie ik zoo verbaasd tegen hollandsche briev schrijven op, ik schrijf nog wel eens zoo wat een hollandsche brief aan Hilbert en Annigie maar als ik dan niet meer in ‘t hollands kan dan zeg ik het maar in ‘t engels want dat kunnen zij ook wel, maar dat gaat niet als men naar nederland schrijft. Maar ik zal mijn best doen en wat verkeert is hoop ik zult ge wel voorbij zien en het maar goed maken. Nu voor eerst houdt u verzekert van mijn sympathie met het verlies van uw vader, Oom Hendrik. Dat is nu zeker de laatste van Vaders broeders en zusters, het heeft in Nov vier jaar geweest dat Vader overleden is, die was drie en tachtig jaar en acht maand. Ik mis vader nog heel wat, want nu is mijn tehuis geheel weg. Vaders leven was ook meest een zuchtend en bedrukt leven het schijnt mij toe dat ze dat allemaal zoo wat geweest zijn, maar toch geloof ik zeker dat wij ze in de hemel moogen zien, ik denk dat hun harte wensch nu vervult is en daar ze hier niet zoo konden leven als ze wel wilden, daar altijt de zonden weer in de weg stonden, daar kunnen ze nu volmaakt God verheerlijken en groot maken. Oh wat moet dat wel heerlijk zijn om van al het zondige verlost te worden en volmaakt de Heere te kunnen dienen. Want het is toch maar zoo, wij kunnen geen één dag leven zonder zonde, de zonde heeft ons altijt in de magt, het zij met gedachten, woorden of werken, alles is altijt met zonden besmet, zelfs onze beste werken. Het is met uw vader haast net gegaan als mijn vader, die is ook maar negen dagen ziek geweest. Vader had ook altijt zulk een donker vooruitzicht in de toekomst, wat heb ik al veel malen gedacht, als vader nog leefde en hoorde en zag hoe het er nu naar toegaat, ik weet niet maar mij dunk hij zou niet kunnen leven, maar de Heere heeft hem tot zich genomen voordat al dat oproer in de kerk kwam, want 0 er is de laatste twee jaar heel wat onrust en verdeeltheid hier in de kerken geweest en het is nog lang niet rustig, dit zomer is er weer synode en dan komt het alles weer op de tafel. Nu veel nieuws weet ik niet te schrijven, u schrijft ik moest maar eens bij u komen logeren, dat zou ik 0 zo gaarn eens doen als het maar niet zoo veel koste. Maar ik heb altijt huishouding gedaan voor vader en mijn beide broers, dat verdiende niets als zoowat kosten en kleeren, ook nogal veel dat ik een beetje deed om wat kleeren te verdienen, want vader heeft nooit geen bezitingen gehad, al zoo arm als de mieren, de laatste jaar of tien goed brood maar dat was ook al. Zoo dat toen mijn oudste broer trouwde, was vader oud die kon niet meer en die bleef bij mijn broer en ik moest er toen uit en voor mijself zorgen. Dat was hard, sevenentwentig jaar huishouding gedaan, mijn leven als’twaare voor hun opgeofferd en toen er uit. Was ik nu maar sterk dan was het niet zoo slem, maar dat is niet het geval hoewel het een wonder is dat het mij zoo goed gaat, ik ben meest altijt nogal gezond, tegenwoordig word het mij wel wat te hard, ik ben ook niet zoo jong meer, laats September ben ik vijftig geweest. Ik werk hier in een tehuis voor oude menschen, ik heb hier nu zes jaar geweest maar ben van plan in Mei hier vandaan te gaan, het word mij te druk of ze moeten ons meer hulp geven, maar ik denk niet dat ze dat doen zullen, er zijn op heeden drie en twentig ouden hier, van 66 tot 88 jaar oudt, in de 6 jaar dat ik hier geweest ben zijn er 15 gestorven wij hebben heel wat door leefdt in die tijt. Wat ik zal doen als ik hier weg ga weet ik niet er zal wel weer wat anders te doen wezen. Mijn broers zijn beide getrouwt en hebben het goed de oudste Hilbert heeft nogal veel tegenspoed gehad, veel ziekte en drie kinder verloren, nu hebben ze nog een, en zijn vrouw is binnen de twee jaar twee maal geopereerd maar nu is ze toch weer goed. De jongste Albert die gaat het heel best, die heeft twee kinder. Nu als ik geld genoeg had dan kwam ik van’t zomer eens bij u, maar nu zal ‘t wel overgaan. Schrijf spoedig eens weer al bennen de ouden weg daarom hoeven we elkander toch nog niet te vergeten, van mijn moeders familie hebben we al in geen jaaren meer gehoort als u mij er eens iets van kunt laten weten wil u zoo goed weezen en doen dat eens. Wil u tante die daar kort bij u woont eens zeggen dat zij eens schrijft dat is goed, doe haar vooral de groete van mij. Ik kan niets ervan zeggen het met Hilbert van Oom Seine is, die hebben ook veel tegenspoed dat weet ik wel zij hebben veel verloren en hij is erg ziek geweest, nu kan hij ook geen swaar werk meer doen, maar zij woonen hier meer als twee maal zoo ver als u van Parijs woont vandaan zoo wij zijn maar zoo niet naast de duer, ook mijn broers de oudste woont in Holland Michigan goed dertien uur gaans hier vandaan en de jongste goed twentig uur gaans. Vanselv met de Auto gaat het nogal dan duurt het nog niet zoo lang, maar als je die niet hebt dan kan men maar niet gaan zoo men wil. Nu zijt allen hartelijk gegroet en ik hoop dat wij het nog eens mogen beleven dat we elkander eens mogen zien, schrijf eens weer, oh ja die familien daar u naar gevraagt hebt die zijn allemaal in’twesten ik heb ze wel ontmoet al veel er van zijn overleden. In Holland Michigan zijn ook nog al wat Hoogeveenschen en Hollandscheveldsen, uw nicht Hattie Oelen”.
PS Adress ba 12 mei 1946 is: Miss Hattie Oelen, 41 East 12 Street Holland Michigan

Cutterville Michigan, January 25 1946

albertoelen“Van uw nicht Hendrikje Oelen, Mrs. R.J.Wassenaar, 43-68 St. Grand Rapids 8 Michigan; Geachte family het is al zoo veel jaren geleden dat ik iets van u gehoord heb dat ik weet niet wie nog leeft of wie al heengegaan zijn maar ik wil het toch maar eens wagen om te schrijven. Eenige dagen geleden was ik oude dingen aan’t nazien en toen vondt ik u addres en ik ben heel nieuwsgierig hoe het daar bij u gegaan is met de oorlog en hoe het er nu bijstaat. Wie van de family nog leeft en hoe het met allen gaat. En weet u ook iets van de family Schoonewille, indien u ze kent en wel eens ontmoet wil u zoo goet wezen en geven hun mijn addres en zeg hun of ze mij wel eens het een en ander willen schrijven van de toestand family mijner moeder. Zedert ik iets van u gehoord heb ben ik getrouwd met een man die had twe jongens die zijn nu beide al getrouwd en hebben ieder twee kinderen. Mijn man kan nu niets meer doen hij heeft de laatste fijf jaar al een hart kwaal gehad, en kan nu niets meer doen. Mijn oudste broer heeft het ook met hart te stellen dat is Hilbert, die is zestig jaar. Mijn jongste broer Albert die is 58 jaar en ik ben 70 jaar, mijn man is 75 jaar, zoo we worden al oude menschen weet u lieden daar ook, de tijt staat niet stil en wij weeten niet wanneer ons einde komt, als wij maar bereid zijn om onze God te ontmoeten. Nu moet ik maar eindigen want ik weet niet of ik het regte addres wel heb, maar zoo u mijn brief krijgt schrijft mij dan als u belieft eens het een en ander”.

Cutterville Michigan, Maart 21 1946

Albert-Oelen-en-Fanny-zijn-vrouw-ca-1960“Geachte familie, Uw brief heb ik Maart 5 ontvangen en ik was 0 zoo blei van u allen te mogen hooren en dat ook goet zijt, hetwelk zulk een groot voorregt is niet waar? en dat u de oorlog zoo goed door gekomen ben, niets is er bij om gekomen zoo ik begrepen heb wat tog een zegen. De oorlog is wel ten einde maar de vrede is er nog niet. Het ziet er nog niet zoo best uit. Rusland is nog lang niet op zijn gemak, wat dat nog worden wil, ik weet het niet maar ik vrees wel eens dat ze weer zullen beginnen. Ik hoop dat de Heere het moge verhoeden. Daar bij u heb u zulk een scheuring in de kerk daar leesen wij wel van in onze kerkbladen. Hier in ons land is het de vreeselijk groote werkstaking, bij de hondert duisenden die niet werken, wij beginnen het overal in te voelen, zoo veel dat men niet meer krijgen kan vooral in kleeren en kousen men kan ze maar niet krijgen, voetzel wort ook minder, er is genoeg maar men wil het niet verkopen, ze willen zulk een hooge preis hebben dat men het niet betalen kan. Brood zal nu van minder kwaliteit worden om meel te sparen voor de hongerlijdend volkeren. Boter kunnen we haast niet krijgen en vlees wort ook min, kaas is ook uit en zoo veel daar we zonder moeten doen, seep kunnen we ook maar weinig krijgen. Er is nog altijt genoeg geweest en er is nog meer als genoeg maar het word opgehouden, al langen tijt hebben we geen zuiker kunnen krijgen, maar de bier brouwereien die krijgen het wel en dan de pakhuisen zijn zoo vol, ze weten geen raat, het is een vreemde toestand, ik ben menigmaal blij dat vader deze tijt niet heeft beleeft want dan was hij wel van verdriet omgekomen, hoewel hij het wel heeft voorspeld, en ook dat wij kinderen het waarschijnlijk wel zouden beleven. Hartelijk dank dat u de familie Schoonewille in kennis gesteld hebt, de l2de Maart heb ik een brief van hun ontvangen die moet ik ook beantwoorden. U schrijft wij zouden u eens opzoeken, dat zou ik 0 zoo gaarn eens willen, maar eerst dat is zulk een groote reis en dan het kost zoo veel, en geld hebben wij niet, wij krijgen van het staats pensioen voor ouden, men moet 65 jaar wezen voor men er van krijgt, we hebben zedert mijn man die hartkwaal heeft er van gehadt dat is nu een jaar of zes. U vraagt of hij een hollander is, ja hoor, een fries, hij heeft lang onderwijser geweest in nederland en hier ook, heeft ook een pooz op de fabriek gewerk, maar met de slegte tijt in 32, was dat gedaan, toen hebben we een jaar of tien kippen gehad, verkochten veel eieren en ook een heele boel jonge kippen, maar hij kon het niet meer doen en de dokter verboot alle werk, zoo nu doet hij niets meer. Hij is verleden week 75 jaar geworden, toen hebben de jongens met hun huishouding hier geweest, hij heeft twee zoons die werken op kantoor, die hebben ieder twee kinder, ik heb niet anders dan die stiefkinder, ik was 52 jaar toen ik getrouwd ben. Nu vraagt u naar Hilbert van Oom Seine die komt zoowat om de drie of vier jaar eens een week of zoo, die woonnen in lowa een goede 800 mijl hier van daan, meer dan drie maal zoo ver als van u naar Parijs. Ik heb hun geschreven dat hij u eens moest schrijven, hij schrijft ons eenmaal in’t jaar met niew jaar dan krijg ik en mijn broers ieder een brief van hun. Daar bij hun zijn veelen daar bij u van daan, hier zijn niet veel er zijn hier Scholtens, dat waren schippers, en in Holland Mich daar zijn Nieuwenhuis, Zwiers, Koster, Bade misschien wel meer ik weet het niet. Koster dat is family van Oom Jan Koster en tante Hendrikje, zijn daar ook nog van in leven, en Oom Hendrik Zoomer en tante Jantien, ik weet niet of mijn broers hollands kunnen schrijven, de oudste wel maar de jongste dat zal er wel aan hebben, de oudste is een drukker die doet allerhande drukwerk, hij is niet heel sterk hij heeft het veel op de borst, de jongste is gezond en sterk die werkt op de fabriek, nu moet ik eindigen ik hoop weer van u te mogen hooren, en zal proberen uw vragen te beantwoorden zoo goet ik kan. Wanneer men vragen beantwoorden moet dat schrijft wat beter als men schrijven moet aan een niet met de plaats en volk bekend is, zijt nu hartelijk van ons gegroet van uw nicht Hendrikje en neef Dick Wassenaar”.

Grand Rapids Michigan, February 8, 1947

Deze brief is geschreven door Dick Wassenaar de man van Hendrikje, hij schrijft: “Zeer waarde Vriend Kikkert, Mijn vrouw heeft u een en andermaal geschreven en ik heb uw brieven ook gelezen en in uw laatsten brief stond iets, dat mij noopt om te antwoorden. De vrouw kan dat misschien niet zoo goed. Ge spreekt over emigratie en wilt weten of er eenige kans is in de Vereenigde Staten. Ja dat is hier nog wel, maar het is niet zoo gemakkelijk meer om er als emigrant in te koomen. Er bestaat een Emigratiewet. Eenige jaren geleden was men van meening dat er teveel emigranten inkwamen. En de bevolking was zoo snel toegenomen dat er stemmen op gingen om niet meer emigranten toe te laten. Toen kwam die wet, die de emigratie zeer beperkte. Uit het gemiddelde dat elk land afzonderlijk leverde werd het getal bepaald dat er van elk land per jaar zou worden toegelaten. Nu weet ik de getallen niet precies maar ik geloof dat het voor Nederland op 2000 (of 4000) is bepaald. Dat helpt U op ‘t oogenblik heel weinig. Als ge u nu opgeeft voor emigratie en het gelukt u de goedkeuring van de Amerikaanse Consul te Rotterdam te verwerven dan zal hij u wel laten weten wanneer gij u kunt inschepen. Dat kan jaren duren. ‘t Kan ook gebeuren dat gij dadelijk gaat en ik kan u niet zeggen waar dat van afhangt. Maar in elk geval het is vrij onzeker of en wanneer gij kunt varen. Op ‘t oogenblik is er geen overvloed van werkkrachten vooral op de farms, en dat kon maken dat men een oogje dicht deed om daarin te voorzien. Maar dat is iets waar men niet op kan rekenen. Het komt mij beter voor het met Canada te probeeren. Canada zet de deuren wijd open hoor ik, en dan kunt gij niet beter doen dan u te wenden tot een der Emigratie vereenigingen die er in Nederland bestaan. Er zijn hier verleden zomer afgevaardigden geweest uit de Gereformeerde Kerk op de Synode van onze Kerk. Daar waren Prof. Aalders, Dr. Hoek, Prof. Berkhouwer en Abraham Warnaar. Deze laatste was ouderling afgevaardigde. Maar hij heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om een onderzoek in te stellen aangaande emigratie. Hij is burgemeester van Hazerswoude in Holland en lid van zoo ‘n emigratievereeniging, welke ten doel heeft de Emigratie van ons volk te leiden. Hij heeft zich in verbinding gesteld met vereenigingen in Canada opgericht om emigranten voort te helpen. Die zijn allemaal van ons volk en die kunt gij vertrouwen, dat ge niet in verkeerde handen valt. Als ge schrijft aan de Heer Warnaar, die kan u al de inlichtingen geven die ge noodig hebt. En hij zal dat gaarne doen. Dan blijft ge misschien voor teleurstellingen bewaard. Want emigratie is en blijft een waagstuk. Vooral als men op meer gevorderden leeftijd gekomen is. Een jong man van 20 of jonger en ongehuwd, kan zich gemakkelijker aanpassen aan de nieuwe omstandigheden die hij ontmoet, maar voor iemand die een weinig ouder is en een huishouding is dit niet zoo gemakkelijk. Het maakt een groot verschil in welke omgeving men belandt. Als men bij land- en geloofsgenooten komt dan is dit niet zoo erg en de kinderen vooral zijn gauw thuis. Met deze dingen moet gerekend worden. Deze brief is geheel aan emigratie gewijd. Ik zal u spoedig weer schrijven en dan persoonlijk. Uw vriend R.J. Wassenaar”.