Hendrikje Oelen en Dick Wassenaar 8 Oktober 1947 – 13 April 1951

Grand Rapids Michigan, 8 October 1947

“Geachte familie Kikkert: Ik dagt ik moet maar wat schrijven want wij hooren niets meer van u, niet sints january, toen hebt u gevraagt of hier plaats was voor een flinke boer die flink werken wil. Die brief heeft mijn man beantwoord en u nog al aardig wat van de toestand alhier geschreven, hij dagt er was beter gelegenheid in Kanada dan hier. Of u die brief niet ontvangen hebt ik weet het niet, maar wij hebben al lang naar een brief uitgezien, of u soms geschreven hebt en wij het niet hebben ontvangen ik weet het niet. Van Metselaar hebben wij al gehoort dat alles wel was. Nu wij zijn ook tamelijk wel nu weer, heel wat beter als een maand of vier geleden toen was Wassenaar er slegt aan toe, hij had shingles dat is een senuw ziekte, het is erg pijnlijk, men zegt in Nederland noemt men het Gordelroos of u weet wat dat is weet ik niet. U hebt gevraagt of ik Oom Jan Smit mij nog herinneren, ik weet niet of ik hem ooit gezien heb, ik weet niet anders als dat vader wel eens over hem gesproken heeft, en van die familie die na Amerika gegaan zijn is er een van bij ons geweest toen vader nog leefde en wij nog in Holland Michigan woonden. Die mensen die woonnen in Kalamazoo maar ik ken ze niet. Maar kun u mij ook zeggen wat of er nog is van Oom Jan Koster en tante Hendrikje, en Oom Hendrik Zomer en tante Jantje, en Oom Arent Scholten en tante Klaasje, die heb ik alle wel gekent en met de kinder gespeeld als ze bij ons op Nieuw Amsterdam kwaamen te turf laden, wij hebben niets van die families gehoord in geen 50 jaar. Ik heb nu mooi wat van Moeders volk gehoord van Metzelaar. Als u mij nu nog eens wat van vaders volk kon vertellen zou heel aardig zijn. Wij krijgen de Hoogeveense Courant, daar zie ik die namen van Oelen en Zomer wel in. Het voorjaar was erg veel regen zoodat de boeren alles laat in de grond kregen, later wier het zoo droog en nu hebben wij zoo vroeg vorst gehad zoodoende is er ook van onse tuin niet veel teregt gekomen. Zijt nu hartelijk gegroet van ons, Mr-Mrs R.J.Wassenaar”.

Grand Rapids Michigan, December 5, 1947

“Mr. Arend Kikkert Hollandscheveld: Uwe beschouwing van de algemene toestand op godsdienstig gebied is geheel naar waarheid komt mij voor. Het is zoo in Nederland, maar ook in America. Het ongeloof wint veld in de geheele wereld. Het communisme is de grootste vijand. Satan maakt er gebruik van om de menschen te misleiden. Wat is er nu in het communisme dat zoo aantrekkelijk lijkt. Als we zoo nu en dan eens iets vernemen van de toestand in Rusland dan is het onbegrijpelijk dat zoovelen er naar verlangen. Als het ijzeren gordijn een weinig wordt opgelicht, dan vindt men de grootste tyrannie die er ooit is geweest. Er zijn op ‘t oogenblik 14 miljoen menschen in Rusland tot slavenarbeid veroordeeld in de mijnen en bosschen van noordelijk Rusland en Siberië. Een beschrijving daarvan doen de haren te berge rijzen. En dat wil Rusland nu overal brengen. Hoe het gegaan is in de veroverde grensstaten is wel bekend, ook in Nederland veronderstel ik en toch gaat men b.v. in Frankrijk en Italië onrust stoken om de bevolking onder het communisme te brengen en zoo maakt het communisme een vreeselijke voortgang over de geheele wereld, in Europa, in Asia en ook in America, zoowel Noord als Zuid. de gedachte komt wel eens bij mij op, zou daaruit de Anti Christ, de Mensch der zonde misschien uit voort kunnen komen? Het lijkt mij toe, dat de groote afval, die in Gods Woord ons voorspeld wordt, al mooi aan de gang is, in elk geval wijzen ze op het einde des tijds, dat misschien spoedig zal komen. Nu nog iets over emigratie. Er zijn al vele honderden van Hollanders aangekomen in Canada en degenen die in Ontario zijn aangeland zijn er misschien het best aan toe, hoewel ze ook daar zeer verspreid wonen. Dat ligt in de aard der zaak. De meeste van de emigranten zijn van Gereformeerde huize en voor hen tracht onze kerk te doen wat ze kan. Er is nog veel land in Canada, dat bebouwd kan worden. Maar dat is iets voor jonge menschen. Gij moet het maar niet proberen. Het Canada klimaat is te koud voor u. En gij zijt niet meer in staat om in een vreemd land te gewennen. En ik weet niet of het wel zoo jammer is dat zij maar weinig van hun geld kunnen meenemen. Nu wordt aanpakken de boodschap en dat is wat men in America graag ziet en wat ook de beste gevolgen heeft. Onze beste wenschen en Gods zegen zijn toegewenscht. Uw vrienden R.J.Wassenaar en Echtgenote”.

Grand Rapids, Michigan, 1 Juni 1949

“Mr. Arend Kikkert Hollandscheveld: Waarde Vrienden: Ik zou nog ‘neer schrijven over emigratie naar Canada. Maar uit sommige bladen uit Nederland die mij bereiken zie ik dat gij daar goed op de hoogte gehouden wordt. Zij bevatten brieven door emigranten geschreven en dat zijn natuurlijk persoonlijke ervaringen en deze geven gewoonlijk een goede kijk op de dingen. Bovendien zijn er eenige mannen uit Nederland geweest die overal in Canada hebben rond gereisd, overal met de inenschen hebben gesproken, ook met Canadeese Autoriteiten en die door lezingen het publiek in Nederland hun wedervaren beschrijven. Als gij van dat alles kennis hebt genomen, dan kunt gij u aardig goed voorstellen hoe de zaken staan, misschien nog beter dan ik. Daarom wil ik u alleen maar bepalen bij het kerkelijke en u vertellen wat er voor de emigranten wordt gedaan. Er zijn een paar van onze predikanten heen gezonden om het terrein op te nemen en deze bevonden dat de meesten die uit Nederland kwamen waren van Gereformeerde huize ook gelukkig degene die uit de Ned. Herv.Kerk kwamen. Men wilde trachten hen te helpen. Een onzer grootste kerken beriep een jonge predikant, die goed Hollands kende met de odracht de verstrooide schapen in de schaapstal te brengen, een moeilijke taak want ze waren verspreid over vele mijlen. Ds. Personaire nam het op zich. Hij vestigde zich in St Catharinus dat hij beschouwde als een geschikt centrum van waaruit hij kon werken. Hij bezocht vele emigranten die hongerden naar het Woord en hij vond een plaats waar men kon vergaderen. Natuurlijk alle onkosten werden gedragen door de zendende kerk want de emigranten konden weinig bijdragen, ze hadden genoeg te doen om de wolf van de deur te houden. De dominé moest soms vele mijlen rijden met zijn auto om de menschen naar St Catharinus te brengen en ook weer terug naar huis. Nu moet gij u voorstellen wat het leven van zoo’n dominé is. Hij moet voor de emigrant zoo wat van alles zijn: vaak moet hij optreden als tolk om een geschil tusschen baas en knecht op te ruimen of om iets in orde te brengen bij het governement. Dan zijn er de onderlinge twisten tusschen Gereformeerden van verschillende richting en inzichten. Er zijn Oud Ger., Chr.Ger., Ger.gemeente, Geref. onderhoudende Art 31 en de Ger. Kerk. Er werd op aangedrongen al die geschillen maar aan Nederlandse theologen te laten en zich te vereenigen bij onze kerk, die nog altijd de naam draagt Christelijk Gereformeerd en zich aansluit bij de Gereformeerde Kerken in Nederland. En dit gelukte bij de meesten die zich lieten overtuigen. En zoo werd het geoordeeld het beste te zijn hen tot een zelfstandige gemeente te organiseren. Als ze de vrede maar kunnen bewaren. Maar er zijn sommigen die gaarne verstoring zouden brengen en daartoe zelfs pogingen aanwenden, tot nog toe niet met groot succes, maar er blijkt alweer uit, dat Satan gaarne Gods werk wil verstoren. Maar ‘t is ook waar, zonder strijd geen overwinning. Er werd op aangedrongen al die geschillen maar aan Nederlandse theologen te laten en zich te vereenigen bij onze kerk, die nog altijd de naam draagt Christelijk Gereformeerd en zich aansluit bij de Gereformeerde Kerk in Nederland. En dit gelukte bij de meesten die zich lieten overtuigen en zoo werd het geoordeeld het beste te zijn hen tot een zelfstandige gemeente te organizeren. Zoo zijn er nu 6 van onze dominé’s in Ontario, waar de vloed van emigranten steeds aanhoudt. Zoo doet men ook in Alberta en British Colombia, in het westen van Canada, zoowat twee duizend mijl west van Ontario. Groote afstanden hé? Ik bedank u hartelijk voor het kaartje van Hoogeveen en omstreken, waarmee ik zeer in mijn schik ben. Ik krijg van Metselaar wel eens een Hoogeveensche krant: ik vind de plaats namen op uw kaartje”.

Grand Rapids Michigan, Januari 10, 1950

“Geachte Vrienden Mr en Mrs Kikkert: Wij hebben uw brief Dec.3 ontvangen. De inhoud was zeer interessant. Ja, ik begrijp heel goed, waar gij een werkzaam leven achter de rug hebt dat gij nog maar zoo dadelijk niet gaat rentenieren als de ouderdom u het harde werken verbiedt. Werken is voor u even natuurlijk als brood eten. Toch zou het misschien beter zijn als gij het werken maar overlaat aan jongeren, als gij nog wat wilt genieten van hetgeen God u als vrucht op uw arbeid heeft gegeven. Dat is niet alleen uw recht als oudere, maar ook uw voorrecht. Maar ik zie dat ge ook nog wel eens een dagje er af neemt om familiebezoek af te leggen. 200 kippen verzorgen is voor u een aangename bezigheid. Dat is het voor mij ook geweest. Ik heb mijn plekje met kippen en al moeten verkopen en heb een kleiner huis gekocht, ook al om mijn vrouw werk te besparen en nu wonen wij vlak naast de kerk in het dorp Catherville”.

Grand Rapids, Michigan, 7 Juni 1950

“Mr en Mrs Kikkert, Bedankt voor uw brief van 27 april. Gij hebt gelijk: ik heb veel reden om den Heere te danken. Ik ben oud geworden en nog tamelijk gezond. Ik heb nog weer mijn tuintje kunnen bewerken, ik heb van allerlei groenten gezaaid en ‘t groeit goed. Asperge hebben we al een paar weken gegeten en de aardbeien beginnen te rijpen, maar daar moet ik voor vechten. Er zijn een paar vogels (roodborstjes genoemd) die ‘t mij lastig genoeg maken. Zij kunnen ze beter vinden dan ik en ik kan ze er niet uit uden want ze staan vroeger op dan ik, en dan slaan ze hun slag. Zoo hoeft ieder gewas zijn vrienden en vijanden. Voor allerlei insecten kan men besproeien, maar daar geven mijn ongenoode gasten niets om. En zoo blijven er wel teleurstellingen in het leven. Gij ondervindt dit met uw kuikentjes. Daar is het ook: oppassen is de boodschap. En hier kan ik van ervaring spreken, want ik heb vele jaren aaneen kippen gehad, meestal 500 leghennen en dan kocht ik gewoonlijk 1000 of 1500 kuikentjes om die op te brengen. ‘t Grootste gedeelte daarvan verkocht ik als ze 3 tot 6 maaanden oud waren, dan brachten ze gewoonlijk een goede prijs op. De tweejarige kippen gingen in de herfst de deur uit, om vervangen te worden door de jonge kippen. Als uw zoon nog aan emigreren denkt laat hem dan Engelsch leeren, dan gaat alles veel beter. De Hollandsche boer is in Canada zeer gezien. En Ontario is een goede provincie, daar zijn reeds duizenden aangekomen, maar er kunnen nog veel meer geplaatst worden. Uwe vrienden. Mr en Mrs R.J.Wassenaar”.

Grand Rapids,Michigan, 2 October 1950

“Uw brief van 31 Juli bereikte ons Aug 29 en werd met graagte gelezen. Het gaat u allen goed zie ik, want gij kunt de jongelui nog helpen, Dat is juist andersom bij onze vriend Metselaar, daar moeten de jongelui de ouden helpen. Daar is natuurlijk niets op tegen: het is in volkomen overeenstemming met Gods ordinantie, maar het streelt ons gevoel van eigenwaarde als we nog onafhankelijk kunnen zijn op onze leeftijd. Maar in beide gevalllen is er dankenstof voor ‘s Heeren genadiglijke beschikking. Zoo is het ook op stoffelijk gebied, zie ik. Uw velden hebben goed gedragen, gij hebt een goede oogst. Uw boonen gaan naar de veiling, zegt gij. Dat is wat nieuws voor mij. Hoe moet ik mij dat voorstellen. Gaat gij er mee naar de markt? En worden ze daar bij opbod verkocht? Dat is zoowat hetzelfde als de oude koffieveilingen te Amsterdam en de tabaksveilingen in Kentucky, hier in de U.S. Dat moet ge me toch eens nader uitleggen. En wat een veestapel hebt gij, 38 varkens en 175 kippen en dan laat gij de koeien nog buiten rekening. Nu dat geeft u genoeg werk om ze te verzorgen en dat kunt gij op uw leeftijd nog best doen, En dat geeft nog wat variatie ook, ‘t is niet zoo eentonig als landwerk dunkt me, hoewel over de smaak valt niet te twisten”

Grand Rapids, Michigan, 29 Maart 1951

“Waarde Vrienden: Ik moet verschooning vragen, want vergeef mij dat ik niet eerder schreef. Toch moet ik u melden dat ik een ongewoon drukke tijd achter de rug heb. Mijn vrouw had het ongeluk om te vallen, het was Nieuwjaarsdag ‘s avonds. Wij waren bij een buurman op visite geweest en op weg naar huis, ‘t was dooiweer, hier en daar een plasje water en daaronder ijs. Zij gleed uit en viel en met moeite kregen wij haar overeind en in huis. Per telephone riep mijn zoon een dokter op. Deze constateerde dat de rechterarm gebroken was en hij vreesde voor de heup. Er werden X-rays genomen welke te zien gaven dat de arm gebroken was maar niet de heup. Wel bleek later dat het zenuwgestel was aangedaan en lopen kon ze alleen met mijn hulp. En dat is nu drie maanden van pijn voor haar en van oppassen voor mij. Ze wil nu alles weer doen, maar voor ‘t meeste werk zijn twee armen noodig en daar zij maar één arm en dan de linker nog, goed gebruiken kan, moet ik de tweede erbij doen. Ze is gisteren weer voor ‘t eerst naar de Vrouwenvereeniging geweest en Zondag gaat ze weer naar de kerk. Ik zie dat het bij u ook niet alles naar wensch gaat. Maar waar is dat wel zoo, het leven is vaak slechts moeite en verdriet. Maar gij hebt mogen herdenken, hoe de Heere u 45 jaren te samen heeft gelaten. Ik heb er al die tijd niet aan gedacht om u een felicitatie te zenden, maar ik wil u toch nog geluk wenschen met dat heuglijke feit. Moge de Heere u nog enige jaren te samenlaten. Over emigratie van uw zoon schrijft gij. Zijn zwagers houden hem wel op de hoogte. Goed. Maar gij leest ook in de Hoogeveensche Courant de ingezonden Canadeesche brieven wel. Ook in “Ons Platteland” komen ze voor. Een man die Zantingh heet, schrijft daarin geregeld brieven. Als ge die leest krijgt ge een goede kijk op Canada. Zantingh schrijft zeer interessant en naar het mij voorkomt geheel naar waarheid. Zantingh raadt aan om toch te komen, nu de deur nog open staat. Met veel kleintjes is het de eerste jaren ploeteren, dat is waar, maar wachten kan gevaarlijk worden. Misschien denkt gij daar anders over: daar zijn twee kanten ook aan deze zaak. Geve God uw zoon wijsheid om de rechte keus te doen. Onze hartelijke groeten, Mr en Mrs Wassenaar”.

Grand Rapids, Michigan, 13 April 1951

“Mr en Mrs Kikkert, Zeer geachte Vrienden: Ik had beloofd U spoedig weer te schrijven maar ik had niet gedacht dat het zoo gauw gebeuren zou, want nu is het een moeten. En de aanleiding ertoe is geen aangename. Ik moet u n.l. berichten, dat verleden week onze geliefde broeder Hilbert, na een korte ziekte overleden is. Gij hebt hem nooit gekend want hij is in America geboren. Hij is de oudste zoon van Jan Oelen, van wien gij wel gehoord hebt. Daarom sluit ik deze foto’s in. Hilbert was nog drukker toen hij stierf. Hij trouwde en had een gelukkig huwelijk. Hij heeft 4 kinderen gehad, waarvan een dochter (nu 31 jaar) nog in leven is. De Heere had hem kostelijke talenten gegeven en hij gebruikte ze ijverig in den dienst zijns Konings. Hij was vele jaren ouderling en president van de Zondagschool en als de gemeente vacant was leidde hij ook wel begrafenissen. Gedurende het laatste jaar kwam de oude kwaal terug ofschoon in minder sterke mate dan vroeger. Maar er kwamen hoestbuien bij en die ondermijnden zijn gestel en verzwakten zijn hart. Wel ging hij nog naar zijn drukkerij, maar kwam dikwijls onverrichter zake naar huis. Ten laatste begon zijn hart er onder te lijden en toen was het een snelle afloop der wateren. Hij was slechts twee dagen bedlegerig. Wij werden per telephone opgeroepen, maar toen wij kwamen was hij reeds buiten bewustzijn en een uur later stierf hij. Zijn lichaam rust in den schoot der aarde, maar hijzelf is nu in de tegenwoordigheid van den Heiland dien hij liefhad en diende. Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven: zij rusten van hun arbeid en hunne werken volgen hen. Deze verzekering is onze troost. Wij mogen hem blijmoedig nastaren waar hij de rust geniet, die er overblijft voor Gods kinderen. Dat is ook de troost van zijn diepbedroefde weduwe en dochter. Hierbij twee portretten, de linksche is degene over wien ik schrijf, de zoon van Jan Oelen, de andere is de zoon van Jans broer Seine die getrouwd was met Jans dochter. Deze Hilbert is de vrucht van die echt. Hij is getrouwd met Annigje Victorie, die gij u misschien nog wel kunt thuisbrengen. Zij wonen in Hull, lowa, ongeveer 800 mijl west van ons. Zij zijn deze zomer weer van plan bij ons te komen. Dan gaan we weer eens een dag naar Holland waar Hilbert gewoond heeft en naar Muskegon waar Albert woont. Het was bij zulk een gelegenheid misschien 15 of 20 jaar gelden dat de beide kiekjes zijn genomen. Nu zal ik u aangaande mijn familie iets schrijven. Ik heb, of liever ik had twee zoons, beide getrouwd en beide werkzaam op een kantoor. De oudste, Jan, werkte bij de bekende Hekman biscuit Companie, een groote koekjes bakkerij. Hij had twee kinderen, beide meisjes, maar hij stierf plotseling drie weken voor hij zijn veertigste jaar had bereikt. De weduwe woont zeer dicht bij ons. De jongste, Nicolaas, heeft 3 kinderen. Hij woont ook dichtbij. Hij is boekhouder op ‘t kantoor van een fabriek waar typewriters worden gemaakt en andere werktuigen die in winkels, kantoren en banken worden gebruikt, waarvan ik de namen niet eens weet. Dat is de Allen Calculator Companie. Gelukkig dat beide zoo dicht bij wonen. De beide schoondochters hebben heel wat geholpen nu mijn vrouw haar werk niet kon doen. Nu eindig ik met een hartelijke groet. Uw vrienden Mr en Mrs Wassenaar”.