Dan volgt een brief uit 1919, van 6 kantjes maar zonder begin en eind, opnieuw schrijft Jan uitvoerig over zijn geloofsleven en gaat vervolgens in een stroom door met: “en ik ben voormiddags bijkans altijd hier en gelijk ik veeltijds de gewoonte heb dat ik dan in een boek zit te lezen kreeg ik toen SMIJTEGELD en daar in trof ik juist een Even gelijke geschiedenis aan en waarin hij deed uitkomen dat er velen van des Heeren kinderen waren die in zulke omstandigheden kwamen, en gaf mij bij vernieuwing vertroosting en moed, wetende uit Gods Woord dat ofschoon de zonden vele en groot zijn. Dat is mijn troost in dit moeitevolle leven want anders zou het mij te moeijelijk zijn, en waarom zou het mij te moeijelijk vallen. Och wij zijn, ik en ons Hendrikje is als ze thuis is bij Hilbert en ik ben ben bij Albert, dog Hendrikje is niet veel thuis, zij is thans in een krankzinnigengestigt, niet om daar over te gaan maar om huiswerk daar te verrigten en nu heeft zij daar 3 of 4 meiden onder haar zoodat zij de voornaamste daarvan is, het is een gestigt dat hooftzakelijk van onze kerk uit gaat ofschoon het is voor het algemeen en daar er wel meer van die gestigten zijn maar wegens de wrede behandeling is onze kerk ertoe over gegaan om een Christelijk gestigt op te rigten en dat neemt een goede opgang en nu kunt gij wel begrijpen daar is veel te doende voor die meiden, in het eerste had zij er niet veel vermaak maar zij komt elke twee weken een dag te huis en zij krijgt er meer genoegen in, ieder keer als ze thuis komt heeft zij meer genoegen des Zondags dat was haar het meeste tegenzin maar dat is heel wat verandert daar is een gemeente kortbij en daar gaan zij elk hun beurten te kerk en daar heeft zij haar Attest ook al en heeft onze kerk daar een Leeraar beroepen die geheel in dat gestigt Arbeid en die Leeraar zij goed kent en dan heeft zij een Salaris van 8 dollers in de week en daar zij wel 2 â 3 jaar toen zij te huis was les heeft genomen is zij thans zoo ervaren in dat werk dat zij wel een halve nurs is, daar die andere meiden niets van weten en als gij nu eens hoorde van die patiënten die daar zijn dan is het erbarmlijk”. hier eindigt de brief jammer genoeg plotseling.

Holland Michigan, Coles Ave St 13 N327, den September 1919

Een brief van 10 kantjes, de inhoud van de brief is weer als vanouds over zijn zwaarmoedig geloof en het is alsof Jan voortdurend uit de brieven van de apostel Paulus citeert, en hij maakt zich ernstig zorgen over de toekomst van de wereld van heden en die van de wereld voor zijn kinderen, hij vertelt: “het is mij zulk een innerlijk leedwezen en smartgevoel dat mijne kinderen aan dat klagen geen lust hebben, die kunnen met de tijdgeest onzer dagen zich beter verenigen en als gij mij nu vraagt hebt gij op hun levensgedrag aanmerking te maken, dan zeg ik neen maar Albert de jongste, die is Ouderling in de Engelse Gemt, maar Ach dat klagen en vrezen ons te bedriegen voor de Eeuwigheid dat hoor ik zoo gaarne en dat zoo weinig gehoord wort en dat is zoo eigenschappelijk aan het geestelijke leven daar het waare beginsel des geestelijke leven aanwezig is. Ik zeg tog menigmaal, wij komen eenmaal voor God in ‘t gerigte te staan en als wij niet meer hebben als een bloot weten, dat zal ons niet dekken voor dat gerigte en dat is het dat ons gedurig voor den Heere doet onderleggen met de bede doorgrond gij mij 0 God en toets en beproef Gij 0 God mijn harte en zie of er ook nog een schadelijke weg bij mij is en leid mij op de Eeuwige weg. Hoe gaat het met U op natuurlijk gebiet, het is alsof het geen Oorlog is geweest, ja wat zeg ik het is nog ver van vreede in Rusland, daar oorlogd het nog schrikbarend en het is te vrezen dat het inplaats van vreede, bij vernieuwing op een oorlog uitloopt, het broeit er maar gedugt, wat ons de toekomst baren zal ik weet het niet maar er drijven zware wolken als die uitbarsten dan kon het laatste nog wel eens erger worden dan het eerste. Schrijf mij eens wat van alles, het is hier zoo oppervlakkig en bijzonder het jeugdige en opkomende geslagte, 0 dat is zoo ongelovig, daar zijn nog wat van de Ouden daar kan ik soms nog aangenaam mede spreken maar het jeugdige volkje daar is geen overeenstemming. Oude Geert Chrissen die hebt gij ook wel gekend dat was toen zoo een goddeloos monster en dat is nu een leesbare brief Christie, daar ik thans nog al veel mede ommega en nu kunt gij u niet begrijpen hoe ervaren hij is in Gods Woordt dat is een aangename man en die ook voor zichzelf het hem toe te eigenen durft en zoo er nog enkelen meer, maar de laatste jaren zijn er verscheidene weggerukt, en bewujs dat dat ook weldra onze beurt wort, ofschoon ik wel eens denke zoo als ik mij gevoelen ik kan nog wel tien jaren leven ofschoon ik mij dat niet voorschrijf. Onze Hendrikje daar durf ik het goede van te geloven, ik wiste wel eerder daarvan maar in het bijzonder met hare operatie is mij dat duidelijk geworden, toen ik haar wegbragte heeft ze mij medegedeeld dat ze haar onvoorwaardelijk in de Hand des Heeren had overgegeven het zij ten besten of ten ergsten uitvallen zullen mogten en nu valt zoo gezegend uit daar verblijde ik mij in. En nu ook nog iets over ons, ik ben twee jaar bij Albert geweest en Hendrikje bij Hilbert, dog dat is nu omgewisseld, ik ben nu bij Hilbert en als Hendrikje hier komt dan is die haar tehuis bij Albert. Ik lijkte het niet bij Albert daar is alles Engels, Albert is Ouderling in een Engelse gemeente en ik versta er niets van en de kinderen verstaan mij en ik de kinderen niet dat is het hoofdzakelijke dat ik bij Hilbert ben en zij hebben elk twee kinderen en allebei goede gezegde kinderen en nu eindig ik voor ditmaal, de groetenis van ons allen. En nog een enkeld woordt over onze Hendrikje die gaat thans zoo gezegend zij is in een Ospitaal werkzaam in een krankzinnigen gestigt en daar heeft ze een tot haar medewerker zij doen beide hetzelfde werk dat een aangename vriend van haar was hier in Holland en die door middel van haar daar is bij haar gekomen en zij verdient daar elke week 8 dollers en de kost dus dat is 400 dollers in ‘t jaar en die meid haar colega is van dezelfde ouder als zij en zij willenhaardaar volstrekt niet missen. Onze Hendrikje is daar Zoowat de Nurs van de meiden dat wil zeggenals er een ziek wort dan is het werk van zoo een nurs die moet die alle uren gadeslaan hoe de pols van die zieke werkt en dat moet zij optekenen en dan als de Docter komt dan geeft zij dat aan de Docter over. Zij heeft wel drie jaren door brieven met een Docter door brieven gestudeert daar heeftzij heel wat door geleert en dat komt nu gelukkig te stade”.

Holland Michigan, den 15 junij 1920

“Waarde en zeer geliefde Broeder Hendrik Oelen en Kinderen. Ik zende deze letteren ten einde U te doen weten dat wij allen nog goed gezond zijn dat voorwaar de grootsten schat in dit leven ofschoon het zoo weinig wort gewaardeert en ja wat zullen wij elkander schrijven, wij kunnen elkander vertellen wij zijn Oud en onze levensdagen zijn ten einde en hoeveel dagen er nog aan toegevoegt worden wij weten het niet, maar dit weten wij wel, dat wij niets meer kunnen rekenen, ik ben 82 jaren en drie maanden en gij vijf jaren minder. En hoe gaat het nu zijn wij als die op hunne heer wagten dat hij maar komt om ons af te halen van onzen post of zijn wij nog niet klaar, Och ik denk wij zullen als schuldenaars op het einde van ons leven bevonden worden die als lanskrotiers zullen bevonden worden die als alles verbeurt hebbende alleen uit genade moeten gezaligd worden. En nu wat ons leven aangaat, dat is niet zoo aangenaam als het wel kon zijn, mijne kinderen zij zijn volbloed Americaanen en weten niets van het vaderland mijner geboorte en ik ben nog evenals toen ik van daar weggegaan ben, ik worde nimmer Americkaan en zij zijn geheel Americaans dus kunt gij wel begrijpen dat het niet zoo aangenaam is. Ik ben twee jaar bij Albert geweest en daar was ik het moede toen ben ik naar Hilbert gegaan. Albert is in een Engelsche gemeente en daar is hij ouderling en Hilbert is nog bij de Hollandsche Kerk, maar dat duurt ook niet lang meer die hebben ook al een van de drie keer des Avonds Engelse dienst en de categezaties dat al Engels, het lijkt mij een donker vooruitzicht in America als de ouden weg zijn en die zijn er niet veel meer dan is alles Engels en het het wil er bij mij maar niet in wij hebben een Leeraar dat is een Americaans geborene die was twintig jaar toen kende hij nog geen Hollands en nu is hij zoo als er niet veel zijn en hij kent het Engels zoo goed als er zijn Hollands en die zegt de Engelsche taal is het voertuig dat ons vervoert naar de ligtzinnige wateren, het is mij tot innerlijke leedwezen dat ik het Engels niet ken ik denk wel meenigmaal, zouden wij daarom nu in America zijn gekomen om met de geest der ligtzinnigheid vervoert te worden, ik voor mijzelf heb zoo zeer geen behoefte daaraan maar als ik denk aan de dagen vanouds hoe ik toen onder de Predekinge des Woords mogte verkeren, 0 dan misse ik zooveel daarvan. Ik heb de categismus van J Bavinck, dat is een mooij werk het was altijd mijne begeerte om van Bavinck geschriften nog wat te willen hebben en ben daar ook niet mede bedrogen, ik ben aardig doof, dat mij ook de vrugt van de Prediking beneemt, het gehoor te missen dat is een kommerlijke toestand, het is nog niet zo erg maar het beneemt mij tog veel de vreugt”