Holland Michigan, 27 oktober 1915.

brief-van-Seine-Oelen-en-zoon-Hilbert“Waarde en geliefde Broeder Hendrik Oelen en Kinderen. Veel kan ik u niet melden het is een koude zomer geweest, weinig warme dagen hebben hier geweest en tog een gezegende Oogst is het hier geweest uitgezondert de Aardappelen die hier veel zijn gegroeit maar door de overvloedige regen zijn er veel verrot, maar America vergadert schatten en wel bijzonder door middel van de Oorlog wegens de Ammunizie die daaraan gelevert wort waardoor America ofschoon nog buiten de Oorlog zijnde de Oorlog op zulk een lange lijn houd en er zoo een enorm veel bloed vergoten wort en al de rekwesten die daar tegen wort ingebragt is alles vrugteloos, America wort niet verschoont van de Oorlog wegens zijn vroomheid onderscheidenheid van andere landen, maar America doet dit om de dollers, had America zijn Neutraliteid gehouden dan had de Oorlog allang geeindigd geweest, maar zoo gaat het om de dollers moet er misschien levens bij worden opgeoffert, maar de geschiedenis van de Oorlog leert ons als het wort opgemerkt dat God regeert, al jaren heb ik het verwagt en thans is het vervult dat de Weereld rijp wierde voor de Oordelen want de Goddeloosheid wierd zoo God tergende dat de toorn des allerHoogsten is ontstoken en waar is nog het einde als Uwe gerigten op de Aarde zijn leeren de inwoonders geregtigheid maarwaar wort nog opgemerkt dat de Oordelen nog iets van bukken onder de Oordelen wort vernomen, wij beleven treurige dagen maar dit is er niet uit op te maken dat hetgeen Jezus gesproken heeft in vervulling treed, ik hou op ik zou daar wel heel wat over kunnen schrijven. Ik heb uw brief zoo naar onze Seine Oelen gezonden maar heb nog geen Antwoordt weer terug ontvangen, nu zou ik wel veele vragen aan U kunnen doen zooals mij wort medegedeeld dan zijn daar op sommige plaatsen veele veranderingen gekomen, wie leven er nog van de kinderen van Harm Boertien. Hoe gaat het met de Kerk en school. Ik heb thans niet vermaak in het leven, ik ben als het weer maart wort en ik die tijd beleef Acht en zeventig jaar oud en nu is het hier zoo uitgezondert een enkele die hier een betrekking heeft die allang verrigt anders weigeren zij de ouden het werk en dat bevalt mij slegt want ik ben nog zoo gezond als altijd. Wat onze kerkelijke toestand betreft wij hebben een andere Leeraar en die voldoet goed ik denk dat het goed is dat er eens verwisseling plaats heeft want het Metodisme is bij ons ook veel onder ons eigen kerkgemeenschap. Ik hou op voor dit maal hopende van U maar spoedig eens weer wat te mogen ontvangen. Verblijvende na minzame groete aan U en Uwe kinderen, Jan Oelen en kinderen, Adres Holland l8st Nr 76 Michigan N America”.

Holland Michigan 1916/1917

De volgende brief komt van hetzelfde adres en bevat een stevige preek en opnieuw weer veel ontboezingen over zijn manier van geloven en denken, hij besluit; “ik kan niet veel bijzonders melden, ik ben thans in het 79e jaar, het is hier zeer heet weder zoodat er in de grote steden velen door de hitte sterven en het gewas des velds veel er van verschroeid en verteerd. Ik heb zelf wat Aardappelen ja zoo groot dat wel twee honderd bussel er op kan groeyen dog er komt weinig van teregt. Schrijft gij mij eens hoe het u gaat, J Oelen en kinderen”.

Holland Michigan, den Maart 1916

“Tot mijne innige blijdschap was het dat ik eens zulk een brief van U mogt ontvangen waarin gij U eens zoo gul en zoo vrij mogte openbaren hetgeen mij tot innerlijke blijdschap was en waardoor de band der liefde die mij des te nauwer aan U verbindt zoo kennelijk wierde gevoeld en nu zou ik U wel veele troostelijk kunnen schrijven aangaande uw smartelijk verlies, ik zou graag nog eens van mond tot mond met u praten dan kan mij soms wel eens als een heimwe dan zijn. Was ik daar maar en nu schrijft gij over uw zondige levensweg en als ik dan mijn levensweg daarbij vergelijke 0 zeg ik dan wat heb ik dan een zondige weg bewandeld waar gij voor zijt bewaart gebleven. Maar ofschoon het waar is dat mijn zonden vele en groot zijn zoo zegt de Heere komt laat ons te zamen rigten al waren uwe zonden zoo rood als scharlaken en als karmozijn Ik zal ze wit maken als witte wol. Ik heb het genoegen hier thans telkens te mogen verkeren met eenige Oude mannen die nog van hetzelfde standpunt zijn als ik onder dezen ik ook Abraham Nieuwenhuis die hier nog maar twee jaar is die nadat hij uit het Hoogeveen gegaan is 16 jaar is geweest in Amsterdam, dat is ook een goed mannetje, die broeders daar kan ik mede spreken over de waarheid en zooals tot zaligheid gerekend te worden nodig. Maar over het algemeen genomen dan is het hier dodig gesteld er is zulk een Metodistieze geest, zoo oppervlakkig wij horen er zoo weinig van dat er komen die door schuldbesef getroffen en verslagen vragende worden, wat moeten wij doen om zalig te worden. Het komt mij voor dat de Engelssprekende geest zulk een invloedt heeft op het menschdom dat het is aanmerkelijk wanneer het volk van Holland afkomstig hier nog maar weinig zijnde hun de Hollandsche taal haast schaamen en dan is mij dat zoo een treurig verschijnsel de Leeraars er zich afmaken met te zeggen als iemand zich voorgeeft als een veranderd mensch dan hebben zij daar niets meer mee te maken. Ik kan mij daar niet mee vereenigen. Ik sprak met Jan Booy en Arend Seinen daarover en toen zei Arend Seinen hetgeen in Gods Woord waarheid is dat ook wort in de harten van zijn kinderen waarheid en als dan dat woort in des geeestelijk zin verklaart wort en Gods Geest getuigd dan met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn dat geeft troost voor het hart daar het om waarheid te doen is. Wij hebben tans een nieuwe Leeraar, die voldoet beter dan die wij gehad hebben ofschoon nog niet zooals ik het wel wenste maar dit is dan tog groot verschillende, deze daar kan men aangenaam mede spreken over waarheid maar ook zooals de waarheid tot zaligheid gekend te worden nooddig. En de Chr. School dat gaat tamelijk goed, gij zoud hier onder anderen aan kunnen treffen die zouden zeggen het gaat goed, maar dan laat ik U zelf oordelen, wij hebben hier in Holland meer dan twaalfhondert huisgezinnen, zes gemeenten allen van onze Kerk en die hebben zamen eenne school met vierhondert vijftig kinderen. Zou de school een bloeijende school kunnen genoemd worden dan zou er nog een school moeten zijn daaruit kunt gij wel afleiden hoe velen er nog wel zijn die er geen belang in stellen en dat is nu juist onder de Engels sprekende Gementen daar is maar enkelde ouders die belang steld in het Christelijk onderwijs, zoolang er geen meer belang is in het Christelijk onderwijs dan kan ik het geen bloeijende school noemen. Onze Albert die is getrouwd en die heeft twee kinderen en die gaat het uitnemend goed die verdient veel geld, en Hilbert die is nog ongetrouwd die verdient ook wel goed maar niet zooveel als Albert, en onze Hendrikje dat gaat ook goed die is nu na de laatste opperaatie ook vrij wat opgeknapt, zij is niet sterk maar kan tog het huiswerk goed verrigten, Jan Oelen”.

Grand Rapids, 1917 maart 17, Holland Home 1450 East Hulton Street

“Waarde en Geliefde Broeder Hendrik Oelen, door dezen doe ik U weten dat wij allen nog goed gezond zijn, hopende dat gij ook nog moogt in dat voorregt delen want dat is hier het grootste voorregt op natuurlijk gebiet ofschoon het zoo weinig wort gewaardeert wij hebben in eene verandering in ons huisgezin gekregen, onze Hilbert is getrouwd en nu ben ik bij onze Albert en onze Hendrikje is bij onze Hilbert en zij hebben beide Duitsche vrouwen maar zij zijn beide Hollands even zoo goed als wij en nu zijn wij zoo gezegend dat niettegenstaande de vele tegenheden die wij hebben ondervonden behoeven wij niet bekommert te zijn, onze jongens die verdienen veel geld. Albert die verdient iedere week 21, zegge Eenentwintig Doller en onze Hilbert 16, zegge zestien Dollers, dat heeft nog niet lang zoo geweest maar zij hebben zich zoo opgewerkt. Veele tegenheden hebben wij gehad, onze Hendrikje heeft ons terwijl wij hier zijn wel vijfhondert Doller gekost en onze Hilbert ook wel tweehondert en onze Albert zei nu behoeft gij niet langer te werken en Hilbert zei van onze Hendrikje even zoo. En daarbij komt nu dat verblijdende, Hilbert is thans een gezonde man en de Asma is hij van genezen en onze Hendrikje die is thans zoo gezond ofschoon zij niet zoo sterk is als er wel zijn, maar zij is vlug en zoodat wij ten dien opzigte stoffe hebben den Heere te danken voor alle de weldaden die wij mogen genieten”.

Holland Michgan, Oost 18 Street nr 179

Het volgende is eveneens weer een gedeelte van een brief, het adres is ook weer anders. Weer over allerlei geloofszaken: “Het is in het natuurlijke zo, als wij wat belangrijks hebben daar willen wij goede sekurigheid voor hebben en zou het dan niet veel meer zijn omtrent onze Eeuwige belangen en daarom laten wij maar steeds ons tot de Heere wenden en ons zoo voor Hem bloot en open leggen zooals wij zijn hoe armer hoe des te welkommer bij de Heere want nooddruftigen wil Hij de redder zijn en dan mogen wij ook grond van het Woordt des Heeren zeggen al de zoodanigen die zullen beschaamd worden, uit dat een en ander kunt gij wel begrijpen dat ik niet aangenaam verkeer met zulke menschen zooals ik boven genoemt heb. Egter er zijn ook anderen waaruit kan gehoort worden dat ze kinderen Gods zijn die de tale Canaâns spreken. Wat de Leeraars aangaat ter dezer plaats dat behoef ik U niet te zeggen dat is goed naar genoegen, de gemeenten zijn door elkander een wat de woonstede aangaat en de kerken staan zoo na bij elkander dat buiten deur kunt gij elkanders gezang wel horen, dat is iets dat mij niet naar genoegen is. PS Zend ons uwe portretten eens dat zouden wij gaarne willen. Broeder Seine daar horen wij niets van”.

Holland Michigan januari 1918

Jan Oelen wordt dit jaar 80 jaar. Uit de inhoud van deze lange brief blijkt heel duidelijk dat Jan Oelen het leven erg serieus neemt en nogal lijdt onder de zijns inziens vele zonden die hij gedaan heeft in zijn leven, hij is erg bang niet goed geleefd heeft en dat hij afgewezen zal worden, hij vindt dat alle beleefde ellende hem nog niet voldoende tot lering is geweest, dit onderwerp kwam ook in voorgaande brieven dikwijls aan de orde. In deze brief heeft Jan enkele prachtige adviezen voor zijn familie in Hollandscheveld: “En nu schrijft gij in uw brief dat uw Hilbert zoo met de reumatiek heeft te worstelen en aanstonds toen onze Hendrikje dat leesde zijde zij gij moet een goede vette hond zien te krijgen en die moet gij slagten en uitbraden en dat vet moet hij gebruiken even gelijk als boter en nu moet gij dat niet aanmerken als van een gewoon gezegde want zij is in die dingen onderwezen en dus zou ik u raden beproeft het het mogt een middel zijn tot erstel, als ik mij nog herinnere wat mijn vrouw Mergje daaraan heeft geleden dan krijg ik medelijden met uw zoon, de bezoeking van zulk een kwaal is een bittere weg en dat loopt ook op armoed uit mogte er maar de regte leeringe eruit worden genoten want het zijn de zonden die het ons zoo bitter maken dat ons tot aan het harte raakt en ook dat zijn roepstemme die ons tot nadenken roepen en tot Hem mogte brengen dan zou het heilzame vruchten afwerpen zoodat hij van agteren zou kunnen zeggen het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest want dus gewent houd ik uw woord en wegen, Aan Hilbert Oelen Hzn. En dan eindige ik thans wij wenschen u alle de zegen des Heeren en dat als wij dan hier elkander niet van Aangezigte tot Aangezigte weer zullen aanschouwen wij dan eenmaal in de Hemel elkander mogen ontmoeten om dan Eeuwig daar God met al de Hemelingen in volmaaktheid te mogen dienen, dat wenst U, U Broeder Jan Oelen en alle de uwe en ons te samen en dat wij elkander in de gebede niet vergeten, doet groetenis aan Hd. Zomer en laat hij ons ook nog eens schrijven, de 13 maart dan worde ik tachtig jaar”.

Holland Michigan, den Maart 1918

“Door dezen kan ik U melden dat wij allen nog goed gezond zijn”, en vervolgens weer uitvoerig over het geestelijke, maar ook: “en nu komt daarbij toen Hilbert trouwde bleef ik en Hendrikje met ons beide over en toen hebben de jongens samen overlegt dat wij elk een plaats hebben, ik bij Albert en Hendrikje bij Hilbert en toen vroegen zij ons of dat naar genoegen was en dat hebben wij aangenomen zoodat wij elk op een plaats zijn, maar ik heb het er wel goed maar niet aangenaam, zij zijn zoo Engels dat ik hoor er geen Hollans maar altijd Engels”.

Holland Michigan, West St 18 N 308 Noort America, den 18 januarij 1919

“Waarde en Geliefde Broeder Hendrik Oelen en kinderen, tot mijne teleurstelling is het dat ik een brief van U verwagte dog die is tot nog toe niet gekomen waarom ik U deze letteren zende. En nu vraag ik U maar aanstonds hoe gaat het U in de Omstandigheid des levens, is het nog bij het oude of moogt gij ook nog al eens ontwaren dat de Heere Zich zoo nu en dan eens aan de ziele uitlaat in Zijne Zoete gunst en Zalige gemeenschap. Iskia betuigde bij deze dingen leef ik en in alle dezen is het leven mijnes geesten en als dat zoo telkens eens ondervonden wort dat geeft troost en sterkte in dit moeitevolle leven maar als wij met Job op de mesthoop zitten dan is zoo duister. PS Het adres van Onze Seine is Mr Seine Oelen, Hull Ajowe, Noort America”.