Holland Michigan 30 oktober 1909

Oelen-Jan-Holland-MiHet adres is nu Central Ave 471 Holland Michigan. Jan Oelen is erg actief in een stichtingscommissie van een christelijke school en na enige druk op de kerkeraad welke aanvankelijk van mening is dat het plan niet haalbaar is maar toch meewerkt en er is dan ook een school gebouwd met 4 ruims (lokalen) en in de zomer nog eens met de helft vergroot en er gaan dat jaar zelfs driehonderd en tachtig kinderen naar de school zodat de school een bloeiende school genoemd kan worden. Ook schrijft hij dat ds W. Heins die bij hun in Harrison Dakota was, thans al twee jaar Proffessor is en dat wel bij uitnemendheid. Hij heeft ook een brief gehad van broer Seine, hij schreef niets bijzonders alleen dat zijn zoon Hilbert met een dogter van Jan Fiktorie is getrouwd. Ook deze brief is onvolledig maar wel hetzelfde adres, hij schrijft: “dat is het dat mij eenigszins hope doet hebben voor de toekomst indien onze kinderen niet van jongsaf de leer der waarheid wort geleert dan is het middelijkerwijs verspild en dat is hier in America nog veel gevaarlijker dan bij U want allerlei soort van naties komen hier te zamen en als gij eens wiste hoe het Engelsche invloed heeft gij zoudt U verwonderen en met die geest van die Engelsche ligtzinnigheid heeft onze kerk het zeer te kampen Zoodat wij mogen zeggen onze kerk staat hier in dit groote land als een nachthutje in de Comcommerhof”.

Oelen-Hendrikje-Holland-MiHolland Michigan den 4 januari 1911
Hij schrijft: “Onze Hendrikje die is niet sterk zij heeft een slappe maag maar kan weder het huiswerk verrichten en onze Hilbert die Doctert altijd voor de Aschma en zoo kunt gij wel bevroeden dat het hier ook met ons niet alles op rozen gaat. Ik kan U nog melden dat wij verleden zomer van de schoondogter van broer Seine, een dogter van Jan Fiktorie, een brief ontvingen die ons daarin mededeelde hoe het hun ging, zij waren op een Farm en onze Seine was bij hun en het ging hun goed. Onze Seine die heeft er zijn naam in gezet maar ook niet veel meer, ik heb vriendelijk verzogt hij zou eens overkomen maar dat is nog niet gebeurt, schrijf ons van het een en ander eens terug”.

Holland Michigan den 24 februari 1912

Oelen-Hilbert-1885-en-Albert-1887-Holland-MiHij schrijft: “overigens dan mogen wij groote en vele zegeningen genieten, wij gaan alle dagen geregeld werken en onze jongens die verdienen veel geld ofschoon ik niet half zooveel verdien, onze jongens die hebben een goede betrekking geleerd, zij werken op een drukkerij en daar zijn zij laag begonnen maar nu zijn zij klaar en nu verdienen zij meer dan anderen en een werk daar het lichaam niets bij heeft te lijden maar nu moest U niet denken dat geld alle in huis komt, Ik heb een Contract met hun gemaakt dat als zij zooveel te huis bragten dan kunnen zij het overige houden mits zij moesten er een goede regel op stellen en nu hebben wij geene moeite als de tijd daar is dan brengen zij hun geld in maar ik denk Albert die gaat aanstaande zomer trouwen en als ik nu die voorregten opsom waarin wij nog mogen delen dan mogen wij wel met David zeggen wat zullen wij den Heere vergelden voor alle Zijne weldaden aan ons bewezen, maar indien het niet geval was dat wij goed verdienen dan zou het ook niet zoo gunstig zijn want wat hier nodig is dat is verbazend, het is alles zoo duur, als ik twintig jaar jonger was dan wilde ik nog weer farmen maar ik ben de 13 maart aanstaande vier en zeventig jaar Oud en de jongens willen er niets van weten zoodat daar niet aan is te denken.” Verder verhaalt Jan Oelen over moeilijkheden op de Christelijke school. Wat hij bedoelde met “alles ging naar wensch alles tamelijk goed en wat gebeurt, daar treden de Boort mannen op en die willen mannelijke meesters in de school hebben” is niet duidelijk maar deze school is mede door zijn toedoen opgericht en hij is daar nog altijd voor in touw. Hij is het niet eens met het plan om de meesteressen te ontslaan en er jonge onervaren meesters voor in de plaats aan te stellen, hij wil voor de meesteressen een christelijke behandeling en hij gaat tegen het bestuur in en vindt dat zij Onchristelijk en niet volgens Gods Woord handelen. Hij besluit de brief met de groeten aan alle bekenden en wel in het bijzonder voor Hendrik Bottter en Hendrik Zomer.

Holland Michigan 1914

brief-van-Jan-Oelen-28-febr-1912Hendrik Oelen heeft in een brief meegedeeld dat zijn vrouw Geesje Botter is gestorven. Jan schrijft terug: “In antwoort op Uw brief zende ik U deze letteren gezien hebbende uit schrijven dat gij in een treurige toestand zijt verkerende daar Uw Gade U zoo onverwagts door den dood is ontnomen, gevoel ik mij gedrongen U eenige letteren te zenden delende in het gevoel en het besef van Uwe toestand. Als ik mij herinnere hoe ik zelf die toestand heb doorleeft en hoe treurig ik toen daarin verkeerde dan deel thans nog in het gevoel en besef Uw toestand. Maar als wij dan toch niet behoeven te treuren als die geen hoop hebben, dat giet balsem in de wonden te mogen gelooven onze dierbaren zijn heenen gegaan naar die plaats waar wij ze in hoop straks weer zullen ontmoeten, ik zei dat giet balsem in de wonden. En daar en boven als wij dan erbij in geleid worden het is de Heere die over ons leven heerschappij heeft die onze levenstijd heeft bepaald die wij niet overgaan zullen en als die tijd daar is dan roept Hij ons op, dan gaan ook wij de weg van alle Vlees en als ik in aanmerking neem de voorregten die gij hebt mogen genieten zoovele jaren met elkander te hebben mogen leven en in alkanders genoegen te hebben mogen delen in onderscheiding van zoovelen die dat voorregt niet mogen genieten dan daar bij ingeleid wordende dan moogt gij met de digter wel zeggen ik zal mijnen mond niet open doen want Gij hebt het gedaan”. Hendrik Oelen in Hollandscheveld schreef naar Amerika dat hij zelf nog goed gezond is maar dat hij nog erg bedroefd is om het overlijden van zijn vrouw, waarop Jan schrijft: “ik begrijp dat zeer goed, toen ik mijn eerste vrouw verloor, op de begrafenis vroeg Dr Kok mij hoe ik mij gevoelde waarop ik hem antwoorde. O Domiene als het mij van menschen aangedaan wierde dan was het mij ondragelijk maar nu het de Heere is die zulks doet nu moet ik zwijgen wetende dat zijn doen is Majesteit en Heerlijkheid en waarop hij mij antwoorde dat is Christelijk. En nu zou ik ook U Broeder daarop wijzen willen, denkt steeds het is de Heere die zulks heeft gedaan en daarom begeer ik te zwijgen hoe bitter ook en bedenkt gedurig welke voorregten gij hebt mogen genieten daar gij zoovele jaren in elkanders bezit hebt mogen delen en daar de Heere onzer aller levenstijd heeft afgemeten en wanneer die tijd daar is, dan roept Hij ook ons op en dat duurt niet lang meer want ook wij zijn aan den avond van ons leven. En daar het de gewoone weg is die de Heere houd met zijne kinderen dat Hij ze door lijden tot Heerlijkheid wil leiden dat dan den weg Geliefde Broeder ook voor uw en uwe kinderen daartoe dienstbaar moge worden dat wij uit het sterven van onze dierbaren ook leeren sterven aan de wereld en zondedienst en dat wij ons onbedwongen aan de Heere en aan Zijnen dienst leren overgeven om den Heere te volgen hetzij in voor of tegenspoed, wetende dat dit leven tog niets is dan een tranendal van moeite en verdriet, het is mijn hartelijke wens en begeerte”. Hij besluit de brief met de mededeling dat deze brief ook bestemd is voor Hendrik Zomer en vult de brief nog aan met: “Broeder Seine daar kunnen wij niets anders van melden als wanneer de jonge luiden ons schrijven, dat nogal gedurig gebeurt, dan doet hij er de groete bij. De jongeluiden die schrijven, zij hadden in de zin gehad van ‘t najaar ons weer eens te willen bezoeken, maar dat is niet gebeurt wij hebben niet lang geleden nog een brief van hun gehad en toen hebben zij ons berigt dat zij nog goed gezond waren. De jonge lui die gaat het goed, zij rijden ook ottomobiel. Meer kan ik U niet van hun melden van Hilbert en zijn vrouw en Broeder Seine”.

Holland Michigan 1915

Jan schrijft: “Maar nu nog iets nieuws, wij hebben onze Seine zijn zoon Hilbert Oelen met zijn vrouw een dogter van Jan Fictorie twee weken hier bij ons gehad en dat heeft ons aangenaam verrassing gegeven. Ik had hem niet gezien sints dat hij een klein kind was en nu ruim dertig jaren en hij weegt 180 pont en zijn vrouw een heel aardig mensche die zoo met ons Hendrikje was ingenomen dat zij zich niet kon inhouden toen zij ons weder gingen verlaten en wat hun bestaan aangaat het gaat hun goed, zeer goed. Hij heeft tien jaar gefarmd en hij heeft ons medegedeeld dat hij ieder jaar vijfhonderd dollers had overgehouden en nu heeft hij het farmen van de hand gedaan en nu heeft hij al twee jaar een Masienerriehandel gedaan en dat gaat nog beter, hij rijd met een Ottomobiel waar hij wezen wil. En wat zijn Vader aangaat daar heeft hij niet veel van gezegt, hij heeft dit gezegt dat hij tien jaar bij de boer had gedient en dat hij niets van zijn Vader had ontvangen, dat zijn Vader somtijds liever wat van hem had willen hebben dan dat hij wat van zijn Vader ontving. Hij heeft ons nu berigt dat het hun zoo goed bevallen was dat zij het nog wel spoedig eens weer zouden doen als hun leven wierde gespaard. Wat onze Seine aangaat, die had gezegt dat hij niets tegen ons had, waarom hij zoo weinig van zich liet horen en nu heeft onze Seine zelf ons geschreven, hetgeen mij goed naar genoegen is. Het leven gaat hier algemeen O zoo ligtzinng. Als ik mij herinnere mijn jeugdige levenstijd O dan is het hier treurig gesteld. Menschen waarmede men spreken kan over datgene dat ons op den weg die tot de Eeuwige Zaligheid gekend te worden nodig is, het is O zoo oppervlakkig en als er Americaanse bediening is dan stroomt het volk toe alsof er een gastmaal gehouden wordt. Daar is gelegenheid bij ons bij iedere tafel 129 a 130 aan te zitten en dat gaat in de voormiddag altoos vier tafels en agtermiddag nog weer twee en de Prediking is er zoo ingerigt dat niemand behoeft zich terug te houden, wel is waar er wort gezegt onbekeerden mogen niet aangaan maar als de Prediking zoo ingerigt worde dat die belijdenis hebben gedaan bekeert zijn. O dat Americanisme, laat U maar niet wijs maken dat America een vroom land is gelijk dat vroeger wel plaats vond. Men zegt dat het daar bij U even zoo gaat, maar of dat waar is ik weet het niet, berigt mij eens wat hierover. Als ik een goed inzicht heb dan hangen er zwaare wolken aan de Hemel, misschien beleven wij het niet maar als ik U daar eens wat op ging stellen dan zou U de schouders wel ophalen. En dat de wereld zoo goddeloos is daar zegt God van, Ik zal eenmaal straffen. Maar als dat volk dat de naam Christen noemt als dat met de weereld mede gaat dan hebben wij te vrezen dat het ongenoegen Gods komt, Nu moet U niet denken dat het algemeen zoo is, daar zijn nog die nog getrouw voor de waarheid pal staan maar ik bedoel de tijdgeest onzer dagen en dat er van de onzen zoovelen zijn die daar zoo mede vervoert worden. En dan is hier over het supra en het infra zulk een wrijving, als ik er mij in geef dan zou ik zooveel erbij kunnen voegen en daarom ditmaal genoeg. Hoe gaat het met u beklemdheid op de borst en met de hoofdpijn, als u deze letters ontvangt dan zijn wij het nieuw jaar al ingetreden en dus als de Heere ons spaart dan wensch ik U bij voorbaat geluk en wegen in ‘t Nieuwjaar”.