“Wij wenschen u voorts veel geluk en zegen in het nieuwe jaar 1889.
en zijt van ons allen gegroet”

Jan Oelen – En Vrouw – En kroost

December-1884-veel-heil-en-zegenOns adres is tans Mr. J. Oelen Orange City Iowa”
De eerste brief van Jan Oelen die bewaard is gebleven is van ‘december 1884′. Hij schrijft vanuit Orange City in het noord-westen van Iowa, dichtbij South Dakota:
“Waarde Broeders en Zusters, Hendrik Oelen en Geesje Botter, S(eine). Oelen en M(argje). Oelen, Wij kunnen U berigten dat wij allen goed gezond zijn en dat hopen wij ook dat gij ons dat kunt melden, want er is tog geen grooter voorregt dan dat wij de gezondheid mogen hebben. Tevens kunnen wij U mededelen dat wij naar het verre westen van America zijn gegaan en de reis hebben wij in goede welstand volbragt en zoude ik U al de ontmoetingen op die reis verhalen dat doe ik niet want het is teveel om te noemen als alleen dat de eerste hondert uuren is het O zoo bergagtig wij hebben ze gezien die zooals men zeide wel zes duizend voeten hoog waren. Wij zijn tans vijfhondert uuren landwaards in gegaan zoodat de afstand die wij van Elkander zijn verwijdert die is groot ik denk dat volgens de berekening die er gemaakt wort over de groote der Aarde, dat indien wij nog ruim duizent uren verder gingen dan waren wij juist tegen U over aan de andere zijde van de Aarde en dat kan ik geloven omreden als het bij U is twaalf uur dan is het bij ons 4 1/2 uur en tans zijn wij volgens berekening twee duizend uur van U af, teregt mogt de Digter wel uitroepen hoe groot zijn Uwe werken O Heere gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt. Wij zijn er aanschouwers van en gij volgens de mededeling die ik U hiervan geef. Verder kan ik U mededelen wij zijn hier aangekomen bij menschen die ons ontvingen alsof wij hunne kinderen waren daar hebben wij drie dagen geweest en toen hebben wij een huisje gehuurt voor drie dollers per maand tot zoolang dat wij in ‘t voorjaar naar een andere gelegenheid uitzien. Wij zijn tans op de plaats waar wij denken te blijven. Wij kunnen op geen uur ja zelf op tien uur nog bepalen want het land is hier zoo ruim te krijgen om reden dat ieder zulk een grootte plek nodig heeft want het is hier zoo ingerigt dat een man kan met een span paarden tagtig akker bewerken. Gij zult wel zeggen hoe is dat mogelijk want twee en een half akker is hier een bunder groot. Ik zei ook zoo en tog is het waar maar het gaat alles door mazienen. Maar het land zoo het mij toeschijnt is hier best en die het te gange heeft dan gaat het spoedig vooruit. Ik hou ditmaal op omreden ik hier nog niet zooveel van weet spoedig hierover meer gij zult misschien vragen waarom zoover naar het westen getrokken, ja Broeders en Zusters hierin merk ik Gods bijzondere Hand op, want indien wij toen wij in America kwamen dadelijk hadden kunnen voorttrekken, toen waren wij er niet rijp voor om een besliste keus te doen. Nu waren wij beslist, wij gaan naar Orange City en wij zijn verblijd dat wij hier zijn. Hoe dat het ons hier zal gaan wij weten het niet maar dit wij waren in Paterson even als een die doorreist en die geen blijvende plaats heeft en het is hier ons nu even als of wij naar de plaats onzer bestemming zijn gegaan en dat mij bijzonder in Paterson drukte nu daar te blijven was de verleiding der jeugd want als ik daarop zie dan roep ik ieder Christelijk Ouder toe, doet in dezen als wij en daar waren er verscheiden die gaarne de reis met ons wilden aanvaarden als zij maar konden en nu hebben wij hier weer gevonden ja veel meer dan wij hebben verlaten want gins was veel onenigheid en dat is hier niet en hier is een jeugdig Leeraar die in dit verlopen zomer van de school alhier is gekomen en dat lijkt mij bij uitnemendheid best toe. Het is een duitscher van afkomst met name Geulker”.

Paterson-NJDan verhaalt Jan Oelen het overlijden in Paterson van zijn dochter Aaltje nog maar 16 jaar oud. Hij schrijft: “zij was frisch en gezond en had goed schik en zij ging met twee meisjes te werken, zij werd ziek, de mazelen braken al spoedig uit en zij moest vreselijk hoesten, de dokter zei dat het diphterie was. Zij is gestorven in de nacht tussen january en february 1884, dus gij kunt wel bevroeden, de dood komt steeds onverwachts”.
Zijn zoontje Albert is dan ook reeds overleden, maar hij schrijft daar niets over, vermoedelijk is Albert al overleden voor vertrek vanuit Nederland.

Orange City Iowa, den 2 september 1885

Hij schrijft: “Door dezen laten wij u weten dat wij goed gezond zijn en tot onze blijdschap zal ‘t zijn als wij wederkerig ook dat van u mogen horen daar tog de gezondheid zulk een groote zegen is. Want in haar genot te delen dan kunnen kleine zegeningen ons soms meer aangenaamheid geven dan bij haar gemis al de schatten dezer Aarde, gij zult dunkt mij wel eens willen weten hoe het ons hier gaat nu ik zal u er iets van mededelen. Nu met het Oog op het verleden dat doet ons soms nog treurig weeën gevoelen maar met opzicht op het tegenwoordige dan hebben wij reden ons te verblijden en in het bijzon-der dat wij zijn bevoorregt met een welgeschapen Zoon (Hilbert) en Moeder en Kroost zijn beide goed vlug en gezond zoodat wij in dezen stof hebben om de Heere te danken. En met het Oog op de voorregte die wij hier als inwoners van Iowa genieten dan hebben wij reden om ons te verblijden. Zijne weldaden zijn meer dan dat ik ze zou kunnen verhalen. Wij zijn hier voor ‘t winter gekomen en toen hadden wij nog wat geld maar tog zeer weinig maar ik heb in de winter zooveel verdient dat wij konden zonder kommer leven daar de levensmiddelen hier goedkoop zijn is het niet veel moeite om brood te verdienen. En in ‘t voorjaar hebben wij een huis gehuurt voor tagtig dollers in ‘t jaar, met vier Akker land daarvan hebben wij een Akker met klaver, een Akker met Aardappelen en het overige met korn, dat is mais en wij hebben een koe en twee Oude varkens en vier jongen en zestien oude kippen en wij hebben zeventig jongen gebroed dog daar zijn vrij wat hanen bij en ik heb tot heden zulke beste verdiensten gehad dat ik heb nog aanzienlijk wat te goede, als wij dat hebben, kunnen wij bijkans alles afbetalen. Dat gaat hier zoo de boeren zijn zoo arm van geld als zij wat hebben te doen zij kunnen de arbeiders haast niet afbetalen voor zij de vrugten in oogsten. Gij zult wel zeggen hoe is dat, dat zal ik zeggen de boeren die 80 Akkers land hebben en die ze vrij hebben die kopen er een andere 80 bij op Crediet en die twee 80 hebben die kopen veel meer, er zijn er die een sexcie dat is 8 x 80 hebben en nog veel meer dus kunt gij het wel begrijpen. Wat hier het land aangaat dat is verwonderend als gij hier eens een dag waart en gij deed eens een uitstapje in ‘t ronde gij zoudt u verwonderen en dat alles zonder mest te gebruiken, ik heb het al menigmaal gezegt, wat zou tog wel de reden zijn dat het mensdom op die dorre Aarde heeft moeten tobben om brood en dat zulke Vétte Aarde zoo onbewoont is gebleven ik achte het een zegen voor die hier gebruik mag maken van deze Vette Aarde. En nu is onze strekking haast nog wel om nog naar een andere plaats te gaan daar het land het land nog is te krijgen de 160 Akkers voor 14 dollers en het land even zo goed. Wat hier nog van wort weten wij nog niet. U moet denken die hier voor 10 en 12 jaren zijn gekomen hebben dat hier ook zoo gekregen en nu heeft het een waarde van 60 dollers en meer. Nu ik achte ter voldoening uwer nieuwsgierigheid voor dit maal genoeg indien er nu mogten zijn die vragen zou ‘t goed zijn voor ons derwaarts te gaan dan Antwoorde ik, die daar een eigen boerderij heeft met een goed bestaan die behoeven niet te denken als ik naar America ga dan heb ik het nog beter als hier, want hier moet gewerkt, maar die denkt ik wil zelf de hand aan de ploeg slaan die kan hier gerust naar toe gaan, hier is in de middelijke weg gelegenheid om niet alleen brood te hebben maar meer als dat en die geen geld heeft kan hier ook goed te gange komen. Broeder Seine schrijft ons eens hoe gij er onder staat ik zou u raden indien gij u geld nog niet hebt vastgezet doet het dan ook maar niet, maar zorgt dan voor niet te lang te wagten om hier te komen, hier is gelegenheid om de farms te huren met de derde af te geven, dat zijn de huurpenningen maar dat moet al spoedig geschieden, ik wil niemand nodigen ook U niet, gij moet Uw eigen keus doen, maar hetgeen ik schrijf is waarheid. Gij hebt geschreven om de doodacte van onze Aaltje, aangaande de erfenis van onze Aaltje dat wist ik wel en buitendien verlangde ik niet dat ons daar eene penning van ware gestuurt, daar hebben wij het hier te goed toe, ik hoop wel dat er eens een tijd mag komen dat wij nog eens wat derwaarts sturen het is hier nog niet onmogelijk ofschoon niet zoo spoedig als misschien dat door sommigen wel zoude worden begeert. Gij hebt mij in U laatste brief gevraagt aangaande de Noortster ik kan U zeggen als ik het firmament zie dan is het of wij bij U zijn daar sta ik verwondert over daar er zoo eene groote afstand is dat als bij U de zon komt dan is hij bij ons nog maar juist weg”. De percelen land die werden uitgegeven, waren altijd vierkant en omsloten door 4 wegen van elk een mijl (1600 m) lengte, toen wel eens omschreven als 20 minuten gaans lang en 20 minuten gaans breed. Dit is een ‘sexcie’ zoals Jan Oelen beschreef. De 80 acres zijn bij ons 32 ha. Toen waren daar dus al boerderijen met 8 x 80 acres is 256 ha en meer.

Orange City Iowa den 4 Februarij 1886

04-02-1886In deze brief komt heel duidelijk naar voren het verschil in geloofsbelevenis toen en wij in deze tijd. Heel uitvoerig schrijft Jan hoe hij dagelijks met zijn Eeuwig Heil in gedachten bezig is en dat in praktijk probeert te brengen, hij schrijft: “Waarde en Geliefde Broeder Hendrik Oelen en Geesje Botter en Seine Oelen en Margje Oelen. Door dezen doen wij u weten dat wij allen goed gezond zijn en wij hopen ook van u die tijding te mogen horen, want daar is tog geen grooter zegen dan dat al is het dat wij soms moeten delen in het ontberen van dingen waar onze begeerten zich naar uitstrekken, wij weten dat onze begeerten onverzadelijk zijn en dat wij zoo menigwerf uitzien naar dingen die wannneer wij ze vervuld kregen, ons tot schade en niet tot nut zouden dienen. Maar de gezondheid ofschoon wij ze zoo weinig waarderen zij is onmisbaar en als wij dan mogen bepaald worden bij de menigvuldige zegeningen die wij daar benevens mogen genieten. Wat zullen wij dan de Heere vergelden voor alle Zijne weldaden aan ons beweze, maar helaas ofschoon ons dat betaamde zoo dikwerf daar wij tot onze schaamte moeten bekennen is het tegenovergestelde het geval onze harten die zijn zoo geneigt om de dingen dezer Aarde na te jagen om daarvan een deel te krijgen ofschoon het de ondervinding leert dat daarin niet is te vinden datgene dat waarlijk kan geven dat tot vervulling van de behoeften onzer ziel onmisbaar nodig is dat is nergens anders te verkrijgen dan alleen daar waar wij met den onderwijzer der Catechismus kunnen zeggen Dit is mijn Eenige troost hetgeen ik nergens anders vinden kan dat ik met lijf en ziele beide in leven en in sterven niet mijns zelf maar het eigendom van Jezus ben. Hij vraagt ook steeds weer aan zijn broers en familie om hem in te lichten hoe het met hun welstand gaat, niet alleen met het tijdelijke leven maar ook vooral de hoop op de Eeuwigheid. “Gij hebt mij gevraagt, kent gij Hendrik Gort en Roelof Romberg, Jawel en ook Seine Boertien en ook Jan Prins die hebben allen al middag bij ons gehouden en Seine Boertien die gaat het bij uitnemendheid, ik denk zijn kapitaal is wel al verdubbeld en Jan Prins gaat het best en Hendrik Gort die gaat naar Minnisota maar Roelof Romberg die gaat het niet best die heeft gezegd hij wilde weer terug”.

Orange City Iowa 1887

Hij schrijft “Waarde en Zeer Geliefde Broeders en Zusters: Wij zijn allen weer goed gezond ofschoon onze Hilbert heeft wat ziek geweest. Egter een wonder is het dat wij u dat kunnen melden, indien wij terug zien op hetgeen ons is wedervaren voor eenigen tijd dan is het een wonder dat U geen tijding hebt gekregen dat wij allen uit de tijd in de Eeuwigheid waren weg gerukt, want het was op een zondag dat ik des morgens alleen te kerke zijnde juist uit de kerk komende dat de lugt zich wel wat vreemt deed aanzien dagt ik wel ik kan tog wel te huize komen voor de regen. Egter toen ik halfwege was moest ik de wijk nemen bij onze buurman zijnde nog zoowat vierhondert stappen van ons huis af zoo geweldig begon het te regenen en ligten en donderen. Wel heb ik het meermalen zoo hard horen donderen maar nog nooit zoo menigmaal agtereen en toen de 18-05-1889regen over was spoede ik mij naar huis wetende dat mijne huisgenoten vol angst waren en juist toen ik nog maar pas te huis was daar schiet een stuk vuur binnen juist voor mij en daar slaat het stukken even als een zwaare slag van een geweer en onze Hendrikje begint te Schreijen mijn benen mijn benen en mijn vrouw geeft een jammerlijk gekerm O mijn kleine jonge is weg dog ik was zoo zelfstandig aanstonds zette ik onze Hendrikje op een andere stoel en toen greep ik onze Hilbert en ging met hem buiten deur en door met hem een en weer lopen kreeg hij de adem weer en aanstonds was de docter aanwezig onze Hendrikje had de benen halfweg grijs en zonder gevoel dog wat mij verwonderde met een half uur had de docter ze weer blank door te wrijven in laauw water en onze Hilbert is twee dagen blind geweest en met veertien dagen waren zij beide weer genezen, dus is ‘t geen wonder dat wij u kunnen berigten wij zijn nog levende en gezond” Hij eindigt deze brief met een prachtige zin “Ja ik moet afbreken want ik zie het papier wort groot”, de brief is dan weer zoals gewoonlijk tot het randje vol geschreven. Dan volgt er een periode waarvan geen brieven zijn bewaard gebleven. In de zomer van 1888 is zoals later blijkt hun zoon Albert geboren in Harrison Dakota.

18-05-1889-2Harrison in South Dakota den 18 Mei 1889

Jan Oelen is treurig en terneergeslagen hij schrijft: “Waarde en geliefde Broeders en Zusters: Het is een droevige tijdinge die ik u moet mededelen daar mijn vrouw naar een langdurig lijden aan een maagkwaal hede morgen heeft mijn vrouw door den dood de tijd met de Eeuwigheid moeten verwisselen, Zoodat ik en mijn drie kinderen in droevige rouw gedompeld zijn. Ach, wat is tog dit tijdelijk leven een treurig tranendal niet waar, waarvan ik ook zeer veel moet ondervinden” Hij is dan 51 jaar en is voor de 2e maal weduwnaar. Hij schrijft “Wat zal nu de toekomst ons beloven, betere dagen, dat is niet te verwachten , reeds 51 jaren zijn in het verleden zoodat de oude dagen op aankomst zijn wat ons tijdelijk leven aangaat och dat is niet zoo donker onze Hendrikje die is al in het 14e jaar en die bijkans even gelijk als onze Mergje was toen die haar moeder verloor en als gij haar kond zien dan zoud gij zeggen dat is bijkans hetzelfde patroon en zij is omtrend de kinderen alsof zij er Moeder over is en de andere beiden zijn ook tamelijk voordelig”.

Harrison South Dakota 1891, februari.

Hij schrijft: “bij al het leed hebben wij groote voorregten en daarbij behoeven wij niet te zuchten wat zullen wij eten of drinken maar hebben alles in overvloed en dat vande beste spijze. Het voorbij-gaande jaar hebben wij drie koeijen gemelkt wij hebben er nu vier te wagten”.
Harrison South Dakota Douglas Co, den 30 December 1892
Hij schrijft vol lof over zijn natuurlijke omstandigheden: “Waarde en Geliefde Broeders en Zuster, Hendrik Oelen en vrouw en kinderen, Seinen Oelen en Zoon: onze Hendrikje is bijkans volwassen en onze Hilbert en onze Albert die groeien zo voordelig als het maar wenschen kan, ik heb nog geen ogenblik gehad dat ik met de gedagte vervuld was och ware wij maar weer in het oude vaderland want ofschoon het niet gaat zooals het wel kon tog is het veel beter dan daar, het vorig jaar is hier een voordelig gewas geweest dog dit jaar niet zo goed en daarbij de prijs zoo laag behalve de varkens die zijn tans hoog maar wat mij het grootste verschil doet hier te zijn bij daar, dat is het gemakkelijke van het werk, als ik mij dat nog herinnere dan heb ik wel gezegt o wat een voorregt dat wij hier zijn en dan in het bijzonder in het belang van de kinderen, ‘t is hier even zoo druk als bij U dan geld het wel degelijk die vergeet te zaaijen die kan ook niet maaijen, maar het is hier het werk voor de paarden en wij hebben ze te drijven dan beklaag ik ze daar als ik er aan denk hoe het daar met het ligchaam af te sloven moet gehaald worden. Ik had gedagt U zoud al lang eens weer geschreven hebben of U die brief niet gekregen hebt ik weet het niet dog in elk geval al heeft U die niet gekregen het is tog wel een bewijs de Broeder liefde die is dan tog niet levendig wij behoeven er niet op te rekenen eens een brief over de oceaan te krijgen als wij niet eerst een schrijven, wees tog niet zoo lui in ‘t schrijven want misschien zullen onze monden elkander nimmer meer toespreken en als onze pen dan ook blijft liggen dat is tog treurig”.

Harrison South Dakota Douglas Co 1893

Oelen-brieven-kwaliteit-grond-PellaMen woonde nog in Harrison, Hilbert is 8 jaar en Albert 6 jaar oud, ze krijgen die winter opnieuw les van zus Hendrikje en dat gaat zo goed dat ze na de winter zelfs verder zijn dan de klasgenoten, anders hadden ze naar de Engelse School gemoeten, maar dat zag Jan Oelen niet zo zitten. Ze zijn van plan om daar weer vandaan te gaan, het klimaat bevalt ze prima, maar het land moet regen hebben en dat doet het daar lang niet genoeg. Jan schrijft verder:

“Broeder Seine heb ik nog geen berigt van gehad. Volgens getuigenis van anderen dan is hij in America maar gij kunt wel bevroeden dat mij dat niet makkelijk voelt, wat hiervan de reden is zou ik wel eens willen weten hoe dat kan, uit dezelfde lendenen gesproten, door één buik gedragen, aan dezelfde borst gezogen, dat de broedermin zoo kan verdoven ik begrijp het niet ik heb altoos gedagt ik schrijf niet eerst maar ik ben tog van voornemens hem eens Oelen-brieven-South-Dakotate schrijven”. Van een volgende brief is maar een gedeelte bewaard, de kinderen schrijven alle drie een stukje in de Engelse taal: “Best regards from me your cousin”, met de vertaling : “dat is zijt van mij gegroet uw nigt/neef”, en de namen Hendrikje Oelen, Hilbert Oelen en Albert Oelen erbij. Jan schrijft: “de beide jongens die groeijen voordelig en het Hollands lezen dat kunnen zij tamelijk goed en zij gaan tans te school zoo dat zij Engels lezen, schrijven en praten kunnen zoo dat als wij te huis zijn dan kunnen ze met elkander praten waar ik niets van begrijp. Hoe gaat het met Hendrik Botter en Jan Smit en Jan Scholten, indien A. Meiboom nog leeft doe hem de groeten en als gij schrijft laat hij U dan een lettertje megeven. Nu houde ik voor dit maal op als nog dit, Harm Koster van de Sloot die was hier ook en die is overleden en dat wel aan een verbazende bezoeking, de eene voet is hem geheel vergaan en de ander was ook niet zuiver, de Docters wisten het niet wat kwaal het was, ten laatste hebben zij het genoemt de Oud testamentische melaatsheid”, hij tekent met Jan Hb Oelen.