Jan Oelen Juli 1920 – 12 September 1921 & Seine Oelen 7 Juli 1899 – 13 Februari 1921

Holland Michigan, den julij 1920,

“Uw brief in welstand ontvangen hebbende doet mij bij vernieuwing de pen opvatten om nog iets aan u te schrijven, ik zie uit uw brief dat er nog zoo gedurig vrezen en bekommernis is eenmaal bedrogen uit te zullen komen en dat is een zaak die niet is te misprijzen want wij zijn op de reis naar de Eeuwigheid en 0 bedrogen uitkomen, wat zal dat vreselijk wezen”.

Holland Michigan College Ave 327, den 14 september 1920,

Ook uit deze brief blijkt weer dat er sindsdien over het algemeen veel is veranderd in geloofsbelevenis, zowel hier als daar. Elke brief gaat weer uitvoerig over het geloof en kennelijk over en weer, verder schrijft hij: “en nu schrijft gij over een middel ons Hilbert heeft twee en een half jaar met een Docter uit Chicago er voor gedocktert zonder dat hem gezien had. Het was in Lansing daar een vrouw van een Ouderling die ons dat aangeraden heeft en daar onze Hilbert gaarn alle middels wilde aanwenden zoo heeft hij zelf een brief aan die Docter geschreven en die zond hem een brief met 140 vragen die hij alle moest, de meesten die hij met ja en neen kon beantwoorden. Toen is hij met die Docter begonnen en heeft daar twee en een half jaar mede volgehouden en toen is onze Hilbert naar Cichaco geweest en heeft de Docter opgezogt elke maand kreeg hij een fles medeicijnen van 5 dollers en die Docter had hem vooruit te kennen gegeven dat het langdurig zou gaan en ander middel kan ik U aanwijzen van een die met bijkans met ons gelijk uit Nieuw Amsterdam naar America is gegaan die in Nieuw Amsterdam zoo erg de Asma heeft gehad dat hij dan soms drie en vier dagen duurde en de man heeft in America geen vermaning van de Asma weer gehad, hij leeft nog in Grand Rapids en men zegt dat er voor de Asma geen beter middel is dan een reis over de ociaan en was U nu twintig jaar jonger dan zou ik zeggen doet dat maar nu durf ik daarin niet te raden, ik ben altoos blijde dat wij die weg hebben bewandeld en onze Hendrikje die zooveel een drukkend leven heeft moeten doorleven is thans in een goede gestalte. Zij is thans in Muskegon daar is ze met een Weduwevrouw in een homehuis daar hebben zij 8 en soms 10 op te passen en daar bevalt het haar goed en daar verdient zij alle weken 8 Doller en de kost en zij lijken haar zoo goed dat wort van anderen getuigd dus heb ik over de bezorg mijner kinderen geen kommer maar wij zijn het niet eens omtrend de waarheden zooals tot zaligheid gekend te worden nodig zijn, ik kan niet zeggen dat ze onhoudbare denkwijze hebben maar het is de geest der ligtzinnigheid, die neemt het harte in kan er zoo oppervlakkig langs. Och gij weet het”.

Holland Michigan, den 28 december 1920

“Er zijn zoovelen die in Ouderdom met velerlei rampen hebben te worstelen, ik daarentegen mag nog gezond en wel mijn levensdagen doorbrengen dat ik niet zoo sterk ben als in mijn voorrige leeftijd dat doet mij dan ook denken mijn leeftijd is voorbij de dagen die er nog bijkomen dat is toeval ik ben al als ik Maart 13 beleef dan ben ik 83 jaren en als nu mijn beter konde besteden dan zou ik nog wel wat willen leven maar ik zie in dat niet beter zou worden en kan ik het niet beter maken dan is ook niet het minste begeerte om nog eens weer terug te gaan, ik ben thans bij Hilbert en daar heb ik het goed ik heb op dit ogenblik niet te bezorgen zij willen niet hebben dat ik iets doe, ik zou gaarn nog wat aan de hand hebben tot tijd verdrijf want altijd in de boeken zitten dat neemt ook een einde, onze Albert die gaat het goed die kan doen wat hij wil, hij rijdt met een Ottemobiel die verdient veel, Hilbert die gaat het ook wel goed maar die heeft een duur huis gehad en dat was hij zoo moede dat het weder heeft verkogt ofschoon hij het wel kon houden maar daar heeft hij veel aan verloren en nu heeft hij een ander weer gekogt daar kan hij wel wat aan verdienen. Gister was ik juist aan schrijven toen twee ouderwetse Chrijsten bij mij kwamen waarmede ik zoo aangenaam spreken kan over dat inwendige leven dat tot zaligheid gekend te worden nodig zij. Het zou mij aangenaam zijn als ook ons dat eens te beurt viel. Broeder kunt gij mij ook nog eens mededelen hoe onze Hendrik Zomer het is gegaan met dat veen, heeft hij dat goed uitgemaakt dat zou mij aangenaam zijn. Komt gij nog wel bij elkander is hij ook altijd nog goed gezond hij is ook oud waar woont hij, hoe gaat u met de gemeente, hebt gij al een Dominee weder, ik zou zo gaarn nog eens een poosje daar bij U willen zijn, de Ouden van ons geslagt zijn er denk ik haast niet meer, hoe is het thans met de levensmiddelen, schrijft eens wat van het een en ander, zoo als ik er van hoor dan moet daar alles zeer duur wezen de prijzen, maar ik denk hier tog nog niet zoo erg als daar. Ik hou op, schrijf ons eens van het een en ander, 0 als hier eens een brief komt daar zijn ze zoo op gesteld. Ik eindige met, zijt hartelijk van ons gegroet Vader en kinderen Hendrik Oelen”.

Holland Michigan, den 21 maart 1921,

“Weleerwaarde Broeder Hendrik Oelen en kinderen, ik schrijf u zoo haastig weer, de reden is, zie inliggende brief, die is van Seine Oelen en dat die U welkom zou wezen dagt ik omdat een brief van hem is zoo moeilijk te bekomen” en even later “die inliggende brief is abuis of ik hem kwijt ben of dat ik mij vergis ik weet het niet” Voor de rest is Jan weer met hetzelfde geloofsprobleem bezig.

Holland Michigan, den 12 September 1921,

“Wij kunnen U melden dat wij allen nog goed gezond zijn en bijzonder nieuws kan ik niet melden als wij hebben hier maandag zijnde den sesden, een zendingsfeest gehad en daar was een groote schare volks en daar waren goede sprekers zoodat ofschoon ik anders niet zoo feestgezind ben was mij dit tamelijk goed naar genoegen het was er zoo stigtelijk dat het zondags in de kerk niet beter is, hetgeen mij er aan mankeerde was het wel half Engels was, nu kan ik U ook melden dat Harm de Vries hier weer is en heeft mij de groete van U gedaan en hij bevond zich zoo wel dat zeide hij, als het wezen moest, dan morgen aan den dag wel weer, daar zag ik niet tegen op. En nu wat mijn toestand aangaat ik ben zoo hardoorig dat ik kan wel hooren dan zeg ik bij mij zelf wat mankeert er tog aan en tog verstaan kan ik maar niet en zoodat ik de namen van de menschen niet kan onthouden, maar ach ik worde zoo dommelig”

Brieven Seine Oelen, en zoon Hilbert Oelen en echtgenote Annigje Fictorie

Hull lowa, den 7 julij 1899 van Seine Oelen en zoon Hilbert

“Waarde broeder en zuster. Daar de vraag kwam hoe is het tog met Seine Oelen daarom is dat ik U nu een lettertje zal schrijven anders had ik voort nog niet gedaan omreden dat men er voortiet met op de hoogte is want van alle Hollanders die hier voor een jaar of 4 of 5 gekomen zijn hoort men bijna allemaal dat zij gaarn in het eerst weerom wilden maar niet konden omdat zij geen geld hadden maar nu zijn die menschen veel al welgestelde lui en dat gaat mij ook zoo want van mei tot julij is hier bijna geen werk, maar nu zeggen zij allemaal daar is nu nog geld genoeg te verdienen, maar dat moet ik nu eerst nog zien en dan de Godsdienst dat staat mij hier veel minder aan dan in Holland, in America is een afgescheiden en een duitshervormde kerk, dat is hier net als daar maar nu zijn hier velen die als afgescheiden uit Holland gekomen zijn en dat men ook niet anders durft denken of het zijn goede christen die nu omdat hier te Hull geen afgescheiden kerk was die nu bij de hervormde kerk zijn, ja zelfs durven te zeggen dit is de afgescheiden kerk uit Holland, dan zijn hier ook menschen die nooit in Holland geen afgescheiden geweest zijn die zeggen ik kan nu met de hervormde kerk niet vereenigen en er tog nog heengaan en nu zijn wij hier met een huisgezin of gtwaalf begint des zondaags te lezen en nu is hier een zendeling van de afgescheiden die komt hier zo nu en dan eens te preken, die man kunnen wij niet anders zeggen of die verkondigt ons de volle woord Gods. Hier is wat toe nodig om stantvastig te blijven en wat mij nu het meest verwondert is dit, dat Jan Otten ons zoo gaat verlaten, die gaat hier na de hervormde kerk, hoe of wij er ook met hem over spreeken het baat alles niets maar anders dat de menschen goddeloos zijn dat kan men niet zeggen, maar op wat grond als zij godsdienstig zijn dat weet ik ook nog niet. Ik voor mij geloof dat hier velen zijn die van hun godsdienst een grond maken waarop zij naar den hemel zullen gaan, want och zij kunnen hier zoo ligt zeggen als wij sterven, gaan wij naar deb hemel maar op wat grond daar weten ze niet van, het is als of hier de weg naar den hemel ligter toe kan als daar en dat kan tog niet, wij zullen ons hier tog net zoo goed als zondaar moeten leren kennen als in Holland, maar zij zijn hier ook die dat kunnen vertellen, dat is aangenaam als men die hier eens aantreft. En nu wat over het land hier, dat is wat vreemt hier, het zijn allemaal laagten en hoogten maar zoo vet dat het wast hier alles zonder messen, dat is mais, tarwe, gerste, aver en dan heeft ieder boer een oekje aartappels en het gaat allemaal bij mijlen en dat is twintig minuten gaans en zoo lopen hier door het geheele land allemaal de wegen in ‘t vierkant van een mijl gaans. Al de vrugten staan hier best. K. Okken heeft geschreven over de kerkkelijke toestant, daar zal ik nu maar niet veel nu vragen, maar tog broeder met verwondering heb ik gelezen dat gij ouderling zijt geworden, ja broeder ik gevoel het op dit ooggenblik er valt veel voor u te bidden, maar ook hier voor ons, och dat wij het maar regt mogten gevoelen want och ik denk zoo veel al zijn wij hier nu in nog zoo een vet land, wie weet hoe kort en wij zullen moeten sterven en nu wij zijn hier allen goed gezond, als H Gort die sukkelt wel wat maar het is nu tog aardig beter en mijn zoon die is hier bij de boer dat gaat goed die wou niet weer naar Holland toe. Schrijf ons van alles eens wat weer. Zijt van ons allen gegroet de doet alle vrinden de groetenis van ons, ook A. Oost. Van Seine Oelen en Hilbert”

Hull Iowa, den 30 jannuarij 1900

“Geachte broeder en zuster en kinderen, daar het al lang geleden is dat ik U beiden H Oelen en Zomer en brief geschreven heb en gij niet weer geschreven hebt, zoo zal ik U nu maar eens weer schrijven. Wij zijn hier allen nog goed gezond en dat hoop ik ook van U en dan zal ik eerst van mij zelf maar beginnen wat het natuurlijk aangaat dan is het hier goed maar op geestelijk gebied 0 dan is het zoo dodig en als ik dan mij zelf zie nu of voor vier of vij jaren och wat was er toen en kinderlijk leven met de Heere, wat en gebedsleven wat gevoelde ik toen en afkeer van de wereld wat en nauwe verbinding aan Gods volk wat en genot onder de middelen der genade. 0 als ik daar op zie dan moet ik mij zoo menigmaal de vraag doen zou het wel goed met mij staan voor de eeuwigheid, maar doe ik mij de vraag, ook weer is dan nu mijn leven geheel weer in de zonde en dan zeg ik weer beslist 0 neen, kon ik tog meer voor de Heere leven, ja kon ik de zonde met wortel en tak uit roijen zoo ik niet beter weet dan ligt dat op de bodem van mijn hart. En nu wat over het kerkelijk, wij hebben hier en oude domene en dat is en goede man, bijna is het wat het preken aangaat of wij domene Kok hooren, maar wat de omgang aangaat dan is er niet veel aan maar wij zijn hier met 12 huisgezinnen begonnen en nu zijn er al over de 50″

Hull lowa, 27 Desember 1912

Van Seine Oelen en Hilbert en zijn vrouw; “Gehagte broeder en zuster en kinderen, na zoo lang niet van elkender gehoort te hebben zoo wil ik U tog nog eens wat schrijven en wat zal ik U nu schrijven, dit dat wij Ouwt worden, gij zijt nog al wat ouder dan ik maar ik ben tog ook al 62 jaar en dus niet lang meer dat wij in dit leven zijn en dan treden wij Ons eeuwig huis in en wanneer zal dat zijn. 0 ik denk zoo menigmaal wat is het en voorregt dat er en weg geopent is voor zondaars, nu is er hoop, de eenne tijt meer dan de andere, was het voor regtvaardiegen dan was het en afgesneden zaak te minsten voor mij, want wie maakt zig schuldig aan zulke zonden als ik gedaan heb, die zonde heeft voor mij jaren lang als en paal boven water gestaan tot zoo lang dat ik zag daar is maar een onvergefelijke zonde, nu is dat na dien tijt wel wat beter geworden maar tog het plaagt mij altijt nog, wel voornamelijk nu er zoo en agteruitgang is op geestelijk gebiet nu moet men altijt weer na het verleden zien en als ik daaraan denk wat toen het leven was bij nu, 0 dan ziet het er veel tijts donker uit. Want het was het twede jaar dat wij hier waren toen heb ik en alfve dag daar ik met de paarden voor de wagen koren plukken moest en daar ik zoo tegen aan zag dat was en onvergetelijke dag voor mij want de gehele voordemiddag was het of als ik bij de Hel langes ging, het was net of als ik de verdoemden hoorde kermen en ik moest zelf zeggen Heere het is regtveerdig dat gij mij daar in stoot, ik had mij niets anders waardig gemaakt, maar de Heere mogt genade bewijzen dat was mijn zugten tot den Heere. Toen heb ik des middags niet geheten en zie wat en grote omkeer toen, toen ik des namiddags weer een ging was het of de Hemel voor mij Open lag, toen heb ik gezongen maar blij vooruitzigt dat mij streelt en nu wordt mij ook al weer veel bestreden door de vijhand, tog blijft het voor mij en onvergetelijke dag. Och wat was het toen en ander leven dan het nu is, toen konden wij alfve nagten bij elkander zitten te spreken over het geestelijk leven en waar is het nu, toen waren wij hier des winters des zondags met 7 of 8 man bij elkander en preek lezen en nu hebben wij hier en gemeente van 100 huisgezinnen en grote kerk en vlinke pastorie met en Domene er bij en dat is en gladde baas, maar och wat is het treurig, de oude waarheid daar willen ze niet meer van weten. Onze domene OOK, wij moeten altijt even vast geloven en dat gelove dat is er in beginsel al aanwezig met de doop en dan maken zij ze op de categezasie klaar voor de bedieninge en doen ze belijdenis en dan moeten ze beslist zeggen dat hun de zonden vergeven zijn en dat zij avondmaal willen houden en zij doen het ook bijna allemaal en dan worden ze voor levendige leden gehouden en dat er bekering plaats heeft daar hoort men niet meer van. Is het daar ook al zoo ? Nu de Heere op het natuurlijk gebiet vele ja grote zegeningen schenkt gelijk hij dat hier doet, nu gaat de ware godsvrugt te loor. En nu ik zal maar eens ophouden. Wij wonen hier in de stat onze, Hilbert die heeft en meuzienerie verkoping, die hebben ‘t hier goed en ik ben bij aar in huis en nu schrijft van alles eens wat weer en doet aan alle bekenden de groetenis en in bijzonder aan onze Hendrik Zomer, Klaas Okken en Jakop Kikkert en nu zijt van ons allen gegroet Seine Oelen”

Hull lowa, 1920 julij 21

deel-brief-van-Seine-Oelen“Geliefde broeder wij zijn allen nog goed gezond en hopen dat uk van u, gij wilt hebben dat ik U schrijven zal, dat ik dat niet doe dat is niet dat ik wat tegen U heb maar dat zit in mij zelf, ten eerste mijn onbekwaamheid om te schrijven. Kon men maar alleen bij natuurlijke blijven dan was dat niets, want dat gaat goed, de Heere geeft grote zegeningen hier worden hopen geld gemaakt maar nu, nu word die goede God die ons dat alles geeft die word vergeten en daar komen nu alle goddeloosheden uit voort, het is hier zoo ver dat er is bijna geen onderschijd meer te zien tusschen de Wereld en Gods volk en nu weet broeder hoe het U gaat ik weet van mijzelf en wij worden oud, ik bijna 70 jaar en gij nog al heel wat Ouder, het duurt niet lang meer dan zijn wij hier niet meer en als ik nu alleen mijn oog sla op mijn zonden dan is god regtveerdig dat hij mij naar de verdoemenis weg stoot, maar ik mijn oog mag slaan op de weg der verlossinge dat hij Zijn Zoon heeft overgegeven voor zondaars, ja zelfs voor goddeloozen dan is er nog Oope want ik weet niet beter of ik heb mij als en goddelooze leren kennen en is dan nu dat mijn leven met de wereld dan zeg ik nu nog met de dichter die zeide ik ben een vriend ik ben een metgezel van allen die Mijn naam ootmoedig vrezen en wat ik ook al meer schrijven, zijt allen van mij gegroet, uw broeder Seine Oelen”

Hull Iowa, 13 Februari 1921

Dit is de brief waarover Jan Oelen schreef en die hij kwijt was. Deze brief werd door Seine Oelen aan zijn broers Jan oelen in Holland Michigan en Hendrik Oelen in Hollandscheveld geschreven. “Geliefde Broeder Jan Oelen en kinderen: Wij laten U weten dat wij hier goed gezond zijn en Open van U het zelfde maar op natuurlijk gebiet is het hier niet zoo als het geweest is want verleden jaar was het altijt, 0 wat word er en geld gemaakt en velen meenden dat zou zoo voort gaan, maar het was wel te zien dat kon niet, wat werkte die voorspoed uit niets geen goeds te minsten hier niet hoe als het daar is dat weet ik niet. Hier de eenne goddeloosheid word op de andere gestapelt, de wereld daar kan men niet anders van verwagten, maar ook op kerkkelijk gebied, de wereld de jonge luij die krijgen hier de overmagt in de kerk en de Ouden die voor goede christen gaan die worden onder de voeten getrapt en men gaat zelf ook mee op de weg der zonde en daarom verbergt God Zijn aangezigt en komt ons met oordelen te bezoeken, eerst met die vreselijke oorlog maar toen dat ophielt toen gaf god hier grote voorspoed er wert bijna zoveel geld gemaakt als ze maar wilden, dus die slaande hand gods was zoo weer vergeten het geld had hier verleden jaar bijna geen waarde meer, het werd in allerlei goddeloosheid doorgebragt en nu is er bijna geen geld te maken nog te krijgen en zoo hebben wij het met en wondere god te doen, dan komt hij ons met oordelen bezoeken dan met voorspoed en zoo gaat ons leven daar heen en wij zijn oud wij zijn nu nog met ons drijen, maar hoe wijnnig tijt zal het nog duren of wij zijn alle drie in de eeuwigheid, zullen wij alle drie in de hemel komen, ik kan het van U beiden veel beter geloven dan voor mij zelf, tog heb ik er en hope op maar ach als ik op mijn leven zie, wat er uit mijn hart voort komt dat is niets anders dan zonden en ongeregtigheden en daar tegen over de Heiligheid gods, dan moet ik omkomen maar als ik mijn oog mag slaan op de weg der verlossinge dat Jezus in de wereld is gekomen om zondaars zalig te maken dan heb ik Oop want ik weet tog niet beter of ik heb mij als zondaar leren ennen en heb ik het jaren met die vreesselijke zonden met uw dogter begaan heb en dat mijn schuld was, niet aar, zij was te jong ik moest wijzer geweest hebben, die hebben jaren lang bij mij als een paal boven water gestaan, altijt waren er die zonden maar niet tot zoo lang ‘t was of er en stem tot mij kwam er is maar eene onvergeefvelijke zonde en na die tijt is het mij daar met wel wat beter geworden, maar ik denk tog altijt en ander heeft niet zoon zondig hart als ik heb, maar ik hou op want daar is geen heinde aan, zijt van ons allen gegroet, Seine Oelen”.