Indrukken uit het leven van Hendrik Kikkert en Grietje Pol.

001-Hendrik-Kikkert-en-Grietje-Pol-in-ondertrouwHet is allemaal begonnen op 6 maart 1942. In felle kou en striemende sneeuwvlagen gingen wij, Hendrik Kikkert en Grietje Pol, vanaf het 2e Zandwijkje in Hollandscheveld, op weg naar het gemeentehuis in Hoogeveen om in ondertrouw te gaan. Na de nodige formaliteiten te hebben verricht gingen wij weer terug naar huis. Door de aanhoudende sneeuw en harde wind waren er inmiddels al meer hoge sneeuwduinen op Zuideropgaande-bij-de-Carstensdijk-Berend-Mol-met-de-zeis ons pad. Fietsen was onmogelijk geworden, dus maar naast de fiets lopen en de fietsen al duwend en trekkend met ons meezeulend. Toen wij bij het huis van de familie Harm Lip aan het Hollandscheveldse Opgaande kwamen zijn we daar een poos in huis gegaan. Mijn oren waren bijna bevroren, gelukkig nog niet zo erg dat ze stuk gegaan zijn. Vrouw Lip maakte gauw een kop hete chocolademelk om ons op te warmen. Toen wij weer wat bijgekomen waren, moest ik in plaats van mijn hoed op, een muts diep over de oren. Wij hebben de fietsen daar achtergelaten en stevig gearmd gingen we verder op huis aan. De harde wind maakte steeds meer sneeuwduinen en de wind loeide langs de bovengrondse telefoondraden. Het was net de kou uit Rusland zo werd overal gezegd. Maar wij kwamen toch heelhuids thuis. Dit is de inleiding van een lang levensverhaal.

Bruidsweken

02-Oostopgaande-102-boven-in-beeld-voorbij-fietspad-gezien-naar-NieuwlandeOnze bruidsweken verliepen met het schoonmaken en inrichten van ons huis dat stond aan het Oostopgaande 102, het eerste huis in oostelijke richting naar Nieuwlande vanaf het vroegere fietspad dat vanaf Elim naar de Coevorderstraatweg ging. Op 27 maart 1942, de dag voor ons trouwen, kwam er een bok, dat is een schuit, door een paard getrokken door het Oostopgaande om het ijs te breken. Het ijs was nog zo dik dat de bok gedurig op het ijs getrokken werd in plaats dat het ijs kapot ging door de boeg van de bok. Het was een winter die ons nog lang in geheugen is gebleven. De vorst was laat en hevig ingevallen, maar toch werd het ook toen weer lente. Wij zijn dus op 28 maart 1942 getrouwd in het gemeentehuis te Hoogeveen en op zondag 29 maart zijn wij getrouwd in de Gereformeerde kerk van Hollandscheveld, door dominee Fokkens. Onze trouwtekst was Romeinen 8, vers 35-37.

Onverwachte onderduikers

Het was ongeveer een jaar later toen er opeens drie jonge mannen op de fiets bij ons huis waren. In die tijd kwam daar nauwelijks verkeer langs en dan waren het bijna altijd bewoners die verderop aan het Oostopgaande woonden of familie of bekenden daarvan. Deze drie jonge mannen waren echter voor ons volkomen vreemden. De jongens vertelden dat ze waren gevlucht uit de stad Groningen. Daar hadden de Duitsers het erg voorzien op jonge mannen, enkelen waren al door de Duitsers doodgeschoten voor het Scholtenshuis. Ze waren de stad ontvlucht en zochten onderdak en zo kwamen ze bij ons. Mijn man zag het eerst niet zitten, hij zei: “jongens wij zijn maar klein behuisd, als jullie nog verder doorfietsen daar zijn grote boerderijen van Groningse boeren en daar kunnen jullie vast veel beter terecht”. De mannen waren het daar niet mee eens en wilden liever niet meer verder trekken. Wij wisten niet wat we moesten doen en besloten het voorlopig dan maar toe te staan. Wij waren echter niet erg gerust omdat een buurjongen alles gezien en gehoord had. Het werd een heel gesprek die avond en hoe maak je slaapplaatsen en vooral het beddegoed was al helemaal een probleem. Wie rekende er nou op logees in die tijd.

Turfbijl enige wapen

2-Oom-Hendrik-met-de-kruiwagen-tante-Griet-achter-tafel-de-rest-is-familie-Blitz-Max-is-het-2e-jongentje-donker-haarTegen middernacht werd het hooi opgezocht door de jongens, dat vonden zij ook maar het beste. Voor wij de bedstee ingingen ging mijn man nog maar eens even weer naar buiten om te zien en te horen of er ook onraad was. Hij liep om het huis heen en een eindje langs het water en merkte dat er inderdaad onraad was. Snel kwam hij weer binnen en vertelde dat hij mensen om het huis had zien lopen en dat zij vast hadden staan luisteren. Hij nam voor alle zekerheid ons enige wapen, het turfbijltje, mee naar buiten en ik ging meteen onze logees waarschuwen. Maar ik zag in het hooi maar een van de drie jongens, en die zegt meteen, maar dat kunnen ook mijn kameraden zijn want die zijn nog even een luchtje gaan scheppen. Dus ik snel naar buiten Hendrik achterna en wou hem vertellen dat het waarschijnlijk twee van onze logees waren. Inmiddels hadden de mannen buiten elkaar al herkend en konden wij er toch ook hartelijk om lachen. Dit was het begin en de eerste onrust, die gelukkig goed is afgelopen. Daarna zijn wij 05-Bas-Hogedoorn-probeert-de-zeug-met-biggen-vooruit-te-trekkensteeds weer van het ene in het andere avontuur beland. Na deze eerste onverwachte onderduikers kwamen en gingen er telkens weer anderen. Onze eerste onderduikers waren Anne van der Zaag, Be Leemhuis en Roelof Doornbos en kwamen uit het noorden van ons land. Niet lang daarna kwam Arnold Douwes bij ons en Peter en Nico en Dolf en Henk een Engelsman. Arnold vroeg of er nog een plaatsje te vinden was voor een joodse jongeman Herman, zijn eigen naam was Lou Gans. Herman was niet lang achter elkaar bij ons, met tussenpozen kwam hij weer opdagen. Hij werd ook lid van de verzetsgroep. Het eigenlijke onderduikershol was diep in het bos.

Men kwam met een lief klein Joods jongetje, hij werd Pietje genoemd, zijn eigen naam was Max Blitz, later noemden wij hem meestal Arie. Opeens zaten wij er volop in. Er kwamen nog meer Joodse mensen in huis en telkens nog weer andere onderduikers. Van de andere Joodse mensen herinneren wij ons de namen van Herbert, de jongens Hans en Peter, oom Kor een meubelmaker, schoenmaker Piet en zijn vrouw, tante Ammy en haar zoon Bobby, Willy Huisman en nog een Willy. Het ging allemaal goed tot de herfst van 1944. Landwachters Op een dag, al vroeg in de morgen, kwamen landwachters bij ons op bezoek. Het waren nota bene onze eigen mensen, mensen die wij kenden uit onze eigen woon- en samenleving. Uit registratie was gebleken zeiden de mannen, dat wij nog geen graan hadden geleverd voor de Duitsers. Nu kwamen de landwachters bij ons op bezoek om er voor te zorgen dat wij alsnog graan zouden leveren. Ze vroegen waarom wij niet aan het bevel van de Duitsers hadden voldaan. Ja wat moesten we daarover tegen hen zeggen. Zij konden toch weten en zij wisten ook, hoe wij daarover dachten en met ons zoveel anderen. Wij hadden geen zin om graan te leveren aan de bezetters en onderdrukkers. Bovendien konden wij aan hen niet vertellen en uitleggen dat wij veel mensen in huis hadden en zelf dus heel wat op konden. Bij ons waren grote gezonde jonge mensen in de kost, dus moest er heel wat gekookt en bereid worden. Pap koken van roggemeel en broodbakken dat ging allemaal best. De landwachters verdwenen echter gelukkig weer nadat zij er bij ons zeer op hadden aangedrongen om toch vooral graan aan de Duitsers te gaan leveren.

Door eigen mensen verraden >>>