Bejaardenpension ‘Hulsthoek’.

hulsthoe-velpIn 1961 gingen we een nieuwe start maken. We verhuisden van de ‘Rudolph Stichting’ in De Glind bij Achterveld naar ‘Pension Hulsthoek’ in Velp. We lieten de verzorging van dieren op de boerderij voorgoed achter ons en ook de opvang van pleegkinderen van de Rudolph Stichting. In het pension werden bejaarde mensen opgevangen en verzorgd die niet meer zelfstandig konden wonen.

Met de bus van de Rudolph Stichting verhuisden we ons huisraad naar Velp. Het pension was gevestigd in een groot huis. Het was van buiten en van binnen een prachtig huis, met enkele trappen en overal kamers. Toen wij begonnen, waren er maar vier van de negen pensionkamers bewoond. Het was een moeilijke start, er is nogal het een en ander anders gegaan dan was afgesproken bij de overname van de goodwill. Gelukkig was een van de helpsters die al bij de vorige bewoners in dienst was geweest, ook bij ons in dienst gekomen en zij kon ons wat wegwijs maken.
Toen wij de eerste zondag in Velp naar de kerk gingen, preekte de dominee toevallig over onze trouwtekst ‘Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft lief gehad’. Vaak hebben wij daarna nog aan deze preek gedacht.

Binnen korte tijd waren alle negen kamers weer bezet. In die tijd was er nog geen duidelijke regeling over de hoogte van de vergoeding welke bewoners aan ons moesten betalen. Het kwam er op neer dat wij met elke kamerbewoner een aparte regeling moesten treffen. Het lag er maar aan wat de bewoners konden betalen. Soms bezat een bewoner wel (veel) geld, maar de regel gold dat niemand zijn of haar bezit hoefde op te maken. De kerk en de sociale dienst kwamen er toen vaak aan te pas. Het bleek ons al snel dat het ons veel mooier voorgespiegeld was, dan de werkelijkheid bleek te zijn. Wanneer ‘onze bewoners’ niet ‘onze prijs’ konden of wilden betalen, dan moesten wijzelf bepalen of het genoeg was. Bovendien is de ene bewoner meer zorg nodig dan de andere. Huisartsen wilden het liefst dat hun patiënten zo lang mogelijk op de hun vertrouwde kamers konden blijven en ze door ons laten verzorgen. Ook de bejaarden zelf en hun familie stelden onze verzorging zeer op prijs.

Wij vonden het moeilijk en konden door al deze factoren niet zelf een prijs bepalen. Deze regeling kwam ons heel vreemd en ook onredelijk over. Wij moesten 24 uur per dag inzetbaar zijn en hadden een bijna te zware taak op ons genomen. Maar we hebben het kunnen volbrengen.

Gelukkig stelde de Sociale Dienst een nieuwe regeling op. Bepaald werd dat iedere verzorgde een vast bedrag per vierkante meter woonruimte moest gaan betalen. Met de nieuwe regels kwam er zicht op dat het allemaal eerlijk zou gaan. Men kwam alle kamers opmeten en dit pakte voor ons goed uit omdat wij mooie ruime kamers hadden. Vanaf toen ging het beter, wij moesten nog even hard werken en 24 uur per dag beschikbaar zijn, maar we konden er de kost mee verdienen.

EHBO en Middenstandsdiploma

35-Kikkert-Pol-Grietje-SPOBDe regels voor Bejaardenhuizen werden strenger en zo ontkwamen wij er niet aan dat mijn man of ik een uitgebreide cursus moest gaan volgen bij de EHBO. Ook moest een van beide het Middenstandsdiploma gaan halen en een cursus volgen voor Hoofd van een bejaardenhuis. Wij besloten dat ik dat maar moest doen en het is mij gelukt deze certificaten te behalen. Vooral het middenstandsdiploma vond ik erg moeilijk. Ik wist het allemaal wel maar ik was niet gewend om examens af te leggen. Op het examen in Utrecht was mijn hoofd leeg. Later mocht ik het nog een keer proberen en ging het beter, het is allemaal gelukt.

Onze bewoners waren altijd bij een kerk aangesloten. Wanneer een van onze bewoners ziek was of verdriet had, dan kregen wij alle steun van de dominee van de kerk waar onze bewoner lid van was. Ook wanneer men niet weer beter kon worden en men wilde graag bij ons blijven om in eigen vertrouwde omgeving te sterven, bleven ze naast ons staan.
Wij hebben veel meegemaakt met ‘onze’ bewoners. Het kwam nog wel eens voor dat een van onze bewoners bijzonder weinig bezoek en aandacht kreeg van de eigen familie. Een mevrouw had als enige bezit nog over: zes heel mooie theekopjes. Toen de mevrouw was overleden, bleek er opeens wel familie te zijn en ze maakten zelfs ruzie wie van hen één van die mooie kopjes zou krijgen. Gelukkig ging het ook wel anders, bij ons was een oude dame die zelf geen kinderen had. Zij werd niet vergeten door haar familie, alle neven en nichten vierden en beleefden hun vreugden en verdriet bij haar op de kamer en als het daar te klein was dan gebeurde dat bij ons beneden in de kamer.

Vaak waren de mensen al over de 90 als bij ons kwamen en soms erg zwak. Ven een mevrouw werd gezegd; dat is een mensje was van één dag. Ze heeft tot verbazing van iedereen nog vijf jaar bij ons gewoond.

Ook hadden wij korte tijd een dame die zei dat ze bijna blind was. Wanneer ze op reis ging dan moest iemand als begeleider met haar mee. Het kwam er echter altijd op neer dat ze de begeleider voor de helft liet betalen voor het ‘uitstapje’. Als er echter een pluisje op haar jurk lag dan zag ze die nog beter dan ieder ander. Gelukkig vond ze snel een ander tehuis, bij ons paste ze niet.

Een andere dame was al tijden haar horloge kwijt en verdacht anderen ervan dit afgepakt te hebben. Na veel gezeur en zoeken bleek later dat ze een gebreide trui had afgetrokken en het garen om het horloge had gewonden. Na veel breien was het horloge weer voor de dag gekomen.

Voor een oudere heer die al een tijdje in het ziekenhuis lag, werden wij gewaarschuwd door onze dokter, jullie moeten deze meneer niet in huis nemen, hij is teveel in de war, dat komt niet goed. De huisarts van de meneer stelde ons echter gerust en zei dat er niks mis was met die man. Dit bleek ook zo te zijn, hij is 94 jaar geworden en was zelfs een plezierige man. Hij brak zijn heup en moest weer naar het ziekenhuis en hij had het daar weer heel erg moeilijk. Het ging helemaal niet goed met hem, hij werd al maar zieker en heeft maar een paar dagen meer geleefd.

Zo werden wij gewend en leerden wij omgaan met problemen en moeilijkheden van onze bejaarden bij ziekte en sterven. De mensen die in ons ‘Bejaardentehuis’ hebben gewoond voelden zich er thuis. Bij ernstige ziekte moest men wel naar het ziekenhuis en soms kreeg men dan te horen dat de ziekte ongeneeslijk was. Als ze wilden dan kreeg men in overleg met de wijkverpleegster en het ziekenhuis toestemming om ‘thuis’ te mogen sterven.

Elk jaar maakten we met onze bewoners een bustocht, enkele invalide mensen in onze straat mochten dan met ons mee. Ook ging de wijkverpleegster altijd mee. Als we dan later weer onze straat in kwamen, dan stond daar weer het grote bord, gemaakt door een timmerman in de straat met de woorden er op WELKOM THUIS.

Ons bejaardenhuis heeft altijd een goede naam gehad en we hadden nauwelijks een van de kamers leeg of er kwam al weer een nieuwe bewoner. De bewoners kwamen lang niet altijd uit de omgeving van Velp. Uit alle streken van ons land kwamen aanvragen en wanneer er weer een kamer leeg kwam dan was die zo weer bezet.

36-Kikkert-Hendrik-Griet-25-jaarGelukkig hebben mijn man en ik zelf weinig ziekte gekend. In 1970 en 1980 moest ik een operatie ondergaan en heb ik een poosje in het ziekenhuis gelegen. Kennissen en buren hebben ons bijgestaan om alles toch in goede orde te laten verlopen. Wij waren gewend om met de drie wasmachines, een spoelmachine en twee droogtrommels om te gaan. Wanneer ‘niet ingewijden’ opeens voor deze klus kwamen te staan dan was het wel even slikken.

In 1967 waren we 25 jaar getrouwd. Met z’n allen en familie, ex-onderduikers en pleegkinderen hebben we feest gevierd.

37-Kikkert-brief-1-augustus-1975In 1975 hadden we nog een verrassing. Een van onze onderduikers had voor ons een onderscheiding aangevraagd van Yad Vashem. In een brief van 1 augustus 1975 kregen wij het volgende bericht:

Jerusalem, 1 augustus 1975

Beste meneer en mevrouw Kikkert,

39-kandelaar-met-tekstIk heb de eer u mede te delen dat de Comission des justes van het Instituut Commémoratif Vad Vashem, heeft besloten na voorafgaand onderzoek, u te verlenende medaille des justes voor de menselijke solidariteit die u hebt bewezen bij het redden van de joden met risico voor eigen leven tijdens de Duitse bezetting.

De uitreiking van de medaille zal plaatsvinden op de ambassade van Israël in de Haag. De datum van de uitreiking van de medaille zal u later bekend worden gemaakt. Wees overtuigd beste meneer en mevrouw, van mijn hoogste achting
Dr. Moshe Bejski Président van de Commission des justes.

Met z’n allen zijn we op zondag 9 november 1975 naar het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam gereisd. Tijdens een indrukwekkende plechtigheid mochten mijn man en ik de onderscheiding in ontvangst nemen van Yigal Allon, de vice-premier en minister van Buitenlandse Zaken van Israël.

Overgenomen uit de Arnhemsche Courant van 8 november 1975

Israëlische onderscheiding voor redden van joden in de oorlog
AMSTERDAM – Tijdens een indrukwekkende plechtigheid in het Tropeninstituut heeft Yigal Allon, de Israëlische vice-premier en minister van buitenlandse zaken, gisteren namens de ring van Israël hoge onderscheidingen uitgereikt. Veertig Nederlandse vrouwen en mannen ontvingen de Yad Vashem-onderscheiding omdat ze tijdens de bezetting joodse landgenoten het leven hebben gered. Tot degenen die op deze wijze gehuldigd werden, behoorden enkele inwoners van Oosterbeek en Velp en de arts dr. M van der Stoel en diens echtgenote uit Voorschoten, de ouders van de minister van buitenlandse zaken die hierbij met zijn vrouw aanwezig was. De ceremonie werd voorts o.a. bijgewoond door de commissaris van de koningin in Noord-Holland, mr. EI. Kranenburg. en de burgemeester van Amsterdam. dr. I. Samkalden.

Alvorens de onderscheidingen, bestaande uit een erepenning in een olijfhouten doosje en een prachtig gecalligrafeerde oorkonde, uit te en, hield minister Allon in het Engels een rede. ei dat de wreedheden van de grote slachting in de tweede wereldoorlog de diepten tonen tot welke mensen kunnen zinken. Maar tegelijkertijd was die periode getuige van de verheven voorbeelden van de hoogten tot welke mensen kunnen stijgen. ‘Door dit laatste is ons geloof in de mensheid hersteld’. Met klem verklaarde Allon dat dertig jaar na de concentratiekampen en de gaskamers het joodse volk geen herleving van de kanker van het antisemitisme zal dulden. Minister Allon overhandigde de onderscheiding onder anderen aan de heer en mevrouw LA. de Winkel uit Oosterbeek, die gedurende de bezetting een joods meisje hebben opgenomen totdat ze door verraad gedwongen werden zelf hun huis te verlaten en zich schuil te houden.. Tot de onderscheiden en behoorden ook mej. I. Winkelhof uit Oosterbeek (bijzondere hulp aan een joods gezin verleend), mej. S. Molenaar uit Oosterbeek (een joods gezin in haar huis verborgen gehouden) en de heer en mevrouw H. Kikkert uit Velp (buitengewone hulp aan veel joodse landgenoten; dit echtpaar moest zelf 38-Kikkert-handdruk-ministervluchten toen de Gestapo hun activiteiten had ontdekt). Mevrouw Veldman ontving de onderscheiding voor haar overleden ouders, de heer en mevrouw Grimm uit Herveld.

Hoogeveensche Courant 19 november 1975

Bericht in de Hoogeveensche Courant van november 1975

NIEUWLANDE – Niet alleen de families Otten en Dekker zijn onlangs door Vad Vashem in Jeruzalem onderscheiden. Deze hoogste onderscheiding werd door de minister van buitenlandse zaken van Israël, Yigal Allon, ook uitgereikt aan de familie Hendrik en Griet Kikkert. Zij woonden in de oorlog aan het Oostopgaande. Zij boden onder meer onderdak aan de zwervende onderduiker Lou Gans (Herman), nu grafisch ontwerper te Amsterdam. Hij was niet de enige onderduiker, waarover zij zich ontfermden. De grote risico’s die zij namen en de echte menselijkheid, waarmee zij de zwervende Joodse landgenoten tegemoet traden, maakten op allen een zeer diepe indruk.