Door eigen mensen verraden

04-Hendrik-Kikkert-en-Trienco-de-WalEen van de landwachters had Trienco de Wal, een van onze jonge onderduikers gezien, maar had daar eerst geen aandacht aan geschonken. Een paar uur later bedacht hij dat er iets niet klopte omdat Hendrik Kikkert nog nooit een grote zoon kon hebben. Ze kwamen dus later weer terug met de vraag waar die jongen was die ze ‘s morgens eerder gezien hadden. Die jongen was toen natuurlijk al lang in zijn schuilplaats gegaan en ook de Joodse onderduikers zaten inmiddels allemaal in hun schuilkelder. Omdat niet te ontkennen viel dat de jonge man er die morgen was, zei mijn man meteen, die jongen is het bos ingegaan. Ik was naar Hoogeveen geweest en kwam net weer aanfietsen en zag de landwachters bij ons huis staan en angstig begon mijn hart te kloppen. Mijn man zag mij aankomen en ik hoorde hem zeggen, daar komt mijn vrouw aan, ik wil eerst mijn vrouw even spreken. De landwachters zeiden, dat is niet nodig, die wachten wij wel op. Maar Hendrik kwam al naar mij toelopen en zei, ze hebben Trienco gezien toen ze hier vanmorgen waren. Mijn man moest mee naar het bos om hen te helpen Trienco ergens in het bos te vinden. Ik zelf moest met twee van de landwachters het hele huis door zoeken. Ik was bang dat niet alle onderduikers in hun schuilplaatsen zouden zitten. Zo rustig mogelijk ging ik met de landwachters de kamer in. Gelukkig was er niemand in de kamer, maar wel stonden op tafel nog de kopjes na het koffiedrinken en een tas van een van de vrouwen stond nog naast een stoel. Gelukkig viel hen dit alles schijnbaar niet op. Ook merkten ze de afdruk niet op van de handen van Trienco op het luik van zijn schuilkelder. Trienco was deeg aan het kneden om brood te bakken toen de landwachters in aantocht waren. Ze vonden niets verdachts en waren kwaad dat ze niks konden vinden en ik moest weer met hen naar buiten. Later kwam ook mijn man weer met de andere landwachters uit het bos te voorschijn. Het waren geen grote helden en Hendrik had ze rondjes laten lopen. Ze hadden gelukkig ook geen sporen naar het onderduikershol in het bos gevonden. De troep landwachters ging onverrichter zake weer weg, maar zeiden dat ze om drie uur die middag terug zouden komen. Wij moesten dan zorgen dat de jonge onderduiker weer boven water was en anders dan namen zij mijn man mee. Dat ze dat ook zouden doen was nu wel heel erg duidelijk. Later kwam Trienco zelf te voorschijn en hij heeft de Joodse mensen meegenomen en snel ergens anders ondergebracht. De kleine Joodse jongen hebben wij bij Hendrik Groote, onze buren ondergebracht en mijn man ging naar zijn zuster Geesje, getrouwd met Jan Everts. Zij woonden op nr. 18 aan het Oostopgaande, in de bocht meer naar het Hollandscheveld. Hendrik wilde mij niet alleen achterlaten, maar ik zei als ze jou meenemen dan ben ik ook alleen. Toen is Hendrik, weinig enthousiast toch maar mee gegaan.

Opnieuw confrontatie met de landwachters

06-Gereformeerde-Kerk-te-ElimIk ben later alleen weer teruggegaan naar ons huis. Om drie uur die middag waren de schurken er inderdaad weer. Streng vroegen de landwachters waar de jongen (Trienco de Wal) was. Nou dat is wel duidelijk dunkt me heb ik toen gezegd, die heeft jullie niet afgewacht. Dan moet je man met ons mee zeiden ze. Die heeft jullie natuurlijk ook niet afgewacht zeg ik en waar hij naar toe is weet ik niet. Daarop zegt de landwachter kwaad, Hendrik Kikkert is niet eerlijk, hij heeft zijn woord gebroken. Ik zeg tegen hem, hadden jullie dat dan niet gedaan? Je laat je toch niet zomaar opbrengen naar de Duitsers. Ze waren witheet en wilden weten waar de onderduiker en mijn man naar toe waren gegaan. Dat wilde ik natuurlijk niet zeggen, één van hen begreep dat goed en hij zei, dat zegt ze natuurlijk toch niet, hou maar op. Omdat onze onderduikers inmiddels allemaal een nieuwe schuilplaats hadden gevonden, leverde een zoek actie niets op. Ze besloten dat twee van hen naar het SS kantoor in Hollandscheveld zouden gaan om met de SS te overleggen wat ze nu moesten doen. De anderen bleven bij mij achter om de wacht te houden, de helden. Het was december en de duisternis viel snel in. De beide brutale mannen van even daarvoor, toen ze nog met een groep waren en het nog volop licht was, werden steeds banger en hielden gedurig hun geweer in de aanslag. Ze zeiden tegen mij, maak eens wat licht, ik zei dat heb ik niet. Ons hondje, niet groter dan een poes, krabbelde aan de buitenkant van de deur. Ze sprongen meteen op en met de loop van het geweer stootten ze de deur open en daar zat het hondje. Ze gingen toen naar buiten en kwamen niet weer binnen.

In de bocht van het Oostopgaande

Ik ben toen maar meegegaan met mijn schoonvader en heb die nacht ook bij mijn schoonzuster en zwager overnacht. Wij hebben daar geslapen in het stro tussen de stropakken. Maar wij waren nog bij elkaar en blij en dankbaar dat het niet nog erger was afgelopen en dat ook onze onderduikers veilig waren weggekomen. De volgende morgen ben ik samen met Eibert Jan Wiersema weer teruggegaan naar onze boerderij om te melken en te voeren. Samen hebben wij alles wat er aan belast materiaal, papieren, krantjes e.d. nog in huis was vernietigd. Alles wat eetbaar was en tabak hebben we verzameld. We propten onze fietstassen vol en Eibert Jan ging langs een andere weg weer naar zijn huis. Later ben ik ook weer teruggegaan naar mijn schoonzuster. Toen ik daar niet ver meer af was, zag ik vanaf tegenovergestelde richting langs het water, aan vonderskant, een groep SS’ers aankomen. Omdat ze juist langs die kant van het Oostopgaande kwamen schrok ik mij wezenloos. Ik dacht dat Hendrik verraden was dat ze hem nu kwamen halen. Ik liep erg genoeg, het laatste stuk veel te haastig verder en buiten adem stormde ik bij mijn schoonzus het huis binnen. Daar zat mijn man aan de tafel een bak aardappels te schillen. Ik kon nog net uitbrengen dat de SS al dichtbij was en dat hij meteen moest vluchten. Hij vliegt de deel over en de stal in. Achter op de koestal lagen een paar grote pakken gedorst roggestro, met daarbij wat los stro en daar dook Hendrik tussen en bleef verder doodstil liggen. De SS’ers hadden wel in de gaten dat er wat bijzonders was, maar mijn schoonzus Geesje was meteen gaan zitten en verder gegaan met aardappels schillen. Mijn zwager Jan Everts was in de koestal aan het werk toen hij voorbij gerend werd door mijn man. Jan liep snel naar de deel en meteen stormden de SS’ers de deel al op. De SS’ers renden door de hele boerderij en twee van hen sprongen de woonkamer in en zeiden tegen mij, waarom vluchtte jij voor ons. Ik zei omdat ik een erge hekel aan jullie heb. Ik moest mijn persoonsbewijs laten zien en meteen riepen ze, ha, dat is precies wat we zoeken. De andere SS’ers liepen met hun geweren, waarvan sommigen een bajonet op hadden en staken overal in het hooi en schoten knalden door de boerderij. Iedereen was vreselijk bang omdat de SS’ers zo hard en fel te keer gingen.