Kleine gemengde boerenbedrijfjes beleefden moeilijke tijden

Net als zo velen hadden wij naast enkele koeien en jongvee, ook een aantal varkens en een paar honderd kippen en ook verbouwden wij aardappelen en koren. Voor een deel van de oogst werd verkocht. Maar ook werd een deel van de rogge en haver werd naar de molenaar gebracht om te malen en werd als veevoer gebruikt voor eigen vee. De aardappelen werden gekookt in de kookpot in het stookhok en aan de varkens en kippen gevoerd of ook wel rauw aan het rundvee.
In die tijd was het vaak moeilijk om het aardappelgewas gezond te houden. Waren het niet de Coloradokevers die ons plaagden, dan was het wel het fenomeen Aardappelmoeheid. Zodra de larven van de Coloradokevers massaal in de aanval gingen moest er iets gedaan worden. DDT was een ‘goed’ middel om ze te bestrijden. Met DDT in een nylonkous liepen we door het gewas en als we de larven zagen, even schudden met de nylonkous en de DDT wolkte over de larven en het loof. Meestal was het voldoende, zo niet dan werd al het blad afgevreten en bleef alleen de stengel over. Aardappelmoeheid kon alleen maar bestreden worden door vooral geen twee jaar achter elkaar op hetzelfde perceel aardappels te verbouwen.

Dubbele Wit voor de bonenfabriek en kruiden voor Angelica

22-PronkersplukkenDaarnaast verbouwden wij toen ook dubbele wit bonen, spekbonen en allerlei groenten en kruiden. De bonen werden afgeleverd aan de conservenfabriek Aardenburg in Hoogeveen. De geplukte bonen werden verzameld in zakken van 20 kilo en 15 kilo. Met soms 6 of 8 zakken op de fiets gebonden, zeulde Hendrik de bonen naar de Hervormde Kerk aan het Allee in Hollandscheveld.

23-Angelica-kruiden-1952De kruiden die we verbouwden werden voor geneesmiddelen gebruikt. Van het Angelicakruid werd alleen de wortel gebruikt. De stronken werden gerooid met de greep. Tussen de dikke stronk wortels bleef de grond vastkleven. De stronken werden op de klomp geslagen om zo de grond eruit te krijgen. Daarna werden de wortels met de bok afgeleverd aan de harde weg. Vervolgens werden de wortels door de fabriek ‘Angelica’ naar Ommen getransporteerd om verder te worden behandeld. De eerste keer dat wij de wortels hebben verbouwd hadden we de wortels bij het rooien beschadigd. Bij het slaan op de klomp waren sommige wortels gekneusd. Tijdens een droogperiode in de kruidenfabriek gingen de gekneusde wortels rotten. Wij moesten de partij die wij geleverd hadden, zelf sorteren bij de fabriek in Ommen. Mijn man en ik moesten op de fiets naar Ommen. Het was zuur, alleen de wortels die goed waren, werden betaald. Na een zware dag weer terug naar het 2e Zandwijkje in Hollandscheveld. Andere kruiden moesten worden afgesneden boven de grond. Het gesneden gewas werd in kisten verzameld en afgeleverd. We hebben viooltjes verbouwd. Als ze in volle bloei stonden moest er geoogst worden. Meestal moest het rooien en snijden van de kruiden op dezelfde dag gebeuren als afgeleverd kon worden. Op die dagen moesten we dan heel vroeg opstaan. Zodra het licht was, voor het melken en voeren gingen mijn man en ik al naar het land. Het was vaak nauwelijks licht als we al op het land waren. Ook hielden we legkippen.

Kuikens, kippen en eieren

24-Kuikens-opfokken-tot-legkippenElk jaar fokten we 100 jonge kippen op. Het begon met klaarmaken van het onderkomen voor de piepkuikentjes. De kuikentjes werden gebracht in dozen van 50 stuks. Stuk voor stuk werden ze uit de doos gepakt en op het warme bed van zaagsel en ander strooisel gelegd. Heel vaak werden daar boekweitdoppen voor gebruikt. Met een ‘kuikenkachel’, met kolen gestookt, werd de ruimte waar de kleine kuikentjes moesten opgroeien verwarmd. Om de bovenkant van de kuikenkachel paste precies een grote blikken kap. Vooral de eerste tijd moest gezorgd worden dat de kuikens goed warm bleven. Een ondernemend kuiken dat zich een weg baande vanuit de beschermde omgeving bij de kachel, overleefde het avontuur alleen als het op tijd ontdekt werd, vooral als het buiten nog erg koud was. Zolang deze kachel nodig was moest dus regelmatig gecontroleerd worden of alles goed was en ook moest de 25-Kippen-voeren-Hendrik-Kikkertkachel ‘s nachts worden bijgevuld. Later kwam voor de kolenkachel, gasverwarming in de plaats. Vanaf een boven de kuikens gehangen metalen kap met daarin een steenconstructie verwarmd met een gasbrander, werd de warmte op de kuikens gestraald. Van de 100 kuikens gingen er tijdens de opfok nogal eens een dood. Wanneer de kuikens wat waren gegroeid, mochten ze buiten in een ren met fijn kuikengaas. Het was bijna niet te voorkomen dat er dan ook weer enkele werden geroofd door eksters en kraaien. Zo werd elk jaar het kippenaantal weer aangevuld. In de loop van het jaar verminderde het aantal kippen echter ook wel. Bij het leggen van een ei, ontstond nogal eens schade. Als de kippen een paar jaar 26-Kippen-op-het-erf-van-Hendrik-Kikkertoud waren, dan nam de eierenproductie snel af. Omdat een mens moet eten werd er nogal eens een kip geslacht en ging in de soep. Ook kwamen handelaren in kippen en konijnen regelmatig aan de deur om te vragen of er iets was te handelen. Voor op de fiets had men een grote korf een ‘benne’ waarin de kippen werden verzameld. Ook kwam wekelijks de eierenhandelaar langs om de eieren op te halen. Vroeger bracht men de eieren zelf naar de markt in Hoogeveen, dat hebben wij echter al niet meer gedaan.

27-Hedndrik-Kikkert-met-paardAlle jaren werden een of meer varkens gemest voor eigen gebruik. Maar ook werden wel grotere aantallen gemest. Daarvoor kwam ook weer de handelaar aan de deur om de gemeste varkens te kopen. De varkens moesten wij dan zelf aan de verharde weg leveren. Dat hield voor ons in dat Hendrik de ‘zouters’ in een trekkar naar de weg moest brengen. Dat was een karwei op zich. Hendrik kon dat niet alleen en ik moest mee om te duwen. Omdat wij achter het 1e Zandwijkje woonden moesten we eerst over ons eigen land en dat van de buren naar de Oostwijk en dan naar het Zuideropgaande en dan naar het Hoekje. Allebei waren we soms ‘half dood’ van het zware werk. We moesten onderweg vaak de tijd nemen om weer bij te komen. Het hoorde bij de tijd, men wist niet beter en het hoorde bij het boerenwerk in onze streek. We hielden ook steeds een aantal melkkoeien. Het aantal begon met 3 en breidde zich uit tot 5 of 6. De melk, in melkbussen, welke door ons ‘pullen’ werden genoemd, moest elke dag ook vele honderden meters ver naar de route gebracht worden waar de melkbok langs kwam. Dat was voor ons toen het Rechtuit.