Voorlopig de dans ontsprongen

07-Boerderij-Oostopgaande-18-gezien-vanaf-noordkant-voor-de-bochtZe hadden kennelijk niks kunnen vinden en opeens wilden ze naar ons huis en ik moest onmiddelijk met een deel van de SS’ers mee naar onze boerderij. Met alles nog in de fietstassen moest ik weer op de fiets mee terug. Ik was doodsbang dat mijn man getroffen was door een kogel omdat hij niet tevoorschijn was gekomen. Het was voor hem ook absoluut onmogelijk geweest om weg te komen in de richting van de bossen tussen Hollandscheveld en Elim, hij moest nog wel in of heel dicht bij huis zijn, of dood zijn. Ik had ook geen gelegenheid gehad een woord met mijn zwager te wisselen. De SS’ers kwamen er natuurlijk achter dat ik de fietstassen vol spullen had en ze zeiden, die spullen wilde je natuurlijk naar jullie onderduiker brengen. Ik zei nee, ik vond het alleen zo verschrikkelijk dat jullie de tabak zouden oproken. Een van de SS’ers maakte nog een opmerking over de bosjes zilverpapier welke uit een Engels vliegtuig naar beneden waren gegooid en die wij in huis aan de schoorsteenmantel hadden hangen. Hij zei, daarvoor gaat je hele boerderij naar de bliksem. Ik zeg, nee als jullie niet gekomen waren dan hadden wij hier nog rustig doorgewerkt. Alles in en rond ons huis was nog als de vorige dag en er was nergens een teken van leven anders dan van de dieren. Ze vroegen heel streng waar de onderduikers naar toe waren gebracht. Ik zei, dat weet ik niet en al wist ik het dan vertelde ik het niet. Meteen probeerde hij het anders en pakte zijn revolver en richtte die op mij om mij bang te maken. Ik was ook echt bang, maar zei, ik kan jou niet verhinderen om mij wat te doen, maar ik weet niet waar ze zijn. Later mocht ik alleen weer vertrekken en ik ging zo snel ik kon weer naar mijn schoonzus en zwager terug.

Op wonderlijke wijze gered

08-Oostopgaande-18-westzijde-aan-de-negende-korte-wijkMij werd verteld dat Hendrik er ongedeerd vanaf gekomen was en op wonderlijke wijze gered. Hij was onder de ogen van de SS’ers uit de boerderij gesmokkeld en vervoerd naar Hendrik Everts, een broer van mijn zwager die voor op het Oostopgaande woonde. Toen zwager Jan vanuit de stal de deel opliep, had hij mijn man nog horen lopen op de koestal. Op dat moment smakte de buitendeur al open en stormden de SS’ers de deel al op. Achteraf is wel gebleken dat de groep SS’ers op weg waren naar ons huis Oostopgaande 102 en uit onwetendheid het pad langs de zuidkant van het Oostopgaande hadden genomen omdat onze boerderij aan die kant van het water stond. Toen ze door hadden wie ik was, dachten ze meteen dat Hendrik en onze onderduiker nu hier wel eens verborgen konden zijn.

Ze waren meteen begonnen de hele boerderij af te zoeken. De afscheidingen tussen de stal en het hooivak en andere ruimten en hokken, waren alle van hout, ook de achterwand van de boerderij. Overal hadden de SS’ers ingeprikt met hun bajonet en vooral in het hooivak gingen ze fel tekeer. Als ze niet meteen zagen wat er achter een schot was, werd er een kogel door gejaagd. Jan vreesde het ergste toen de SS’ers het eindelijk opgaven en ze toch niets hadden gevonden. Iedereen werd ondervraagd maar ze werden er niet wijzer van. De situatie was voor de SS’ers ook wel moeilijk te doorgronden. De avond daarvoor was mijn schoonvader hier ook geweest en toen hij in het pikdonker wegging was hij met fiets en als in het water geraakt. Hij had droge kleren aangekregen en zijn natte kleren hingen nog bij de kachel te drogen. Na veel spannende uren waren de Duitsers eindelijk vertrokken, ze lieten wel een wachtpost achter omdat ze het toch niet helemaal vertrouwden. Jan was toen de stal opgegaan en had gedempt geroepen, Hendrik als je nog leeft, geef dan snel een teken van leven. Meteen toen Hendrik zich bewoog had hij hem al zien liggen in het lange roggestro in het noodhokje dat enige dagen daarvoor dienst had gedaan als verblijf voor een nuchter stierkalf. Jan Everts was zeer verbaasd, dat zelfs hem deze simpele schuilplaats was ontgaan. Niemand zou zo’n onmogelijke schuilplaats goed hebben bekeken. Het is onverklaarbaar dat niemand Hendrik heeft zien liggen. Een paar dagen daarvoor was het bolkalf verkocht en afgevoerd met de beurtschipper die op vaste tijden met zijn 10-tons bok langskwam. Hiermee had zich ook de weg aangediend voor een ontsnapping langs de SS.

Met de beurtschipper mee

09-Beurtschip-in-omgeving-HoogeveenDe beurtschipper of vrachtvaarder zou juist die dag weer komen. Om zakken veevoer e.d. te transporteren gebruikte men toen een draagbaar van gewoon twee stevige stokken met daarop een aantal dwarsplankjes. Daar werd de vracht opgelegd en door twee mannen werden zo de zakken meel naar binnengedragen en later werd er een ‘nuchter kalf’ de bok weer ingedragen. Hendrik kreeg over zijn benen een grote jute zak en net zo’n grote jute zak over zijn hoofd. Met een touw hadden ze de vracht dicht gebonden. Een nuchter kalf maakte in zo’n benauwd en donker verblijf geen bewegingen. Hendrik was zo ook op de draagbaar de bok ingedragen. Vlak langs de SS wachtpost die in de bocht aan het water stond.

Een volgend onderduikadres

10-Oostopgaande-4-Hendrik-EvertsMijn man kon niet lang bij de familie Everts voor aan het Oostopgaande blijven. Hij is na een week naar dominee Hoogkamp gegaan in Elim en ik kon daar ook wel voor een paar dagen terecht. Zo waren wij toch nog een paar dagen samen. Omdat er teveel mensen over de vloer kwamen bij het domineesgezin, konden wij ook daar niet blijven. Er moest dus gezocht worden naar een nieuw onderduikadres. Samen met een voor mij onbekende ben ik naar de Hoogeveensche Vaart geweest, even voorbij Nieuwlande, naar de familie Meppeling. Wij mochten komen, men was bereid om ons voor één nacht onderdak te geven. Omdat de ‘verhuizing’ in het donker moest gebeuren, moest ik goed onthouden dat ik bij het derde huis voorbij het vonder over de Hoogeveensche Vaart moest aankloppen.

Ik ben weer teruggegaan naar Elim en de nacht daarop, samen met Hendrik daar weer naartoe gelopen. Het was pikkedonker, je kon geen hand voor ogen zien en de weg was lang en soms bar slecht. Soms stapten we tegelijk in een greppel en vielen op onze neus in het zand. Eindelijk kwamen we aan de Hoogeveensche Vaart, maar waar is het vonder dat ons uitgangspunt moet zijn. Ik herinnerde mij dat het maaiveld in deze omgeving over een lengte van enige kilometers veel hoger lag en de walkant. Hierdoor lag het vonder ook veel lager omdat de vaart lager in de onderwal veel smaller was. Eindelijk had ik naar mijn mening de plaats van het vonder gevonden. Maar om niet bij de verkeerde boerderij aan te kloppen, moesten wij volledig zeker zijn van ons uitgangspunt. Op de buik liggend, mijn man hield mij aan mijn benen vast zodat ik niet naar beneden zou glijden het water in, heb ik op de tast het vonder gevonden. Bij het derde huis klopten wij op de deur en gelukkig zijn we toch bij de familie Meppeling aangekomen. We hebben geslapen in de bedstee van de zoon, die voor deze keer een ander plaatsje had opgezocht.

De volgende morgen zijn we met een vlotje naar de andere kant van de Vaart overgezet en zo trokken wij het Geeserveld in naar de familie Reinder Schonewille, de man was getrouwd met een dochter van Meppeling. Daar bleven wij veertien dagen. We gingen daarna naar Harm Kikkert in Nieuw Balinge een broer van mijn man. Wij sliepen daar een paar nachten in een schuilkelder onder de grond. Daar konden wij echter ook niet blijven, het was daar veel te gevaarlijk. Even verderop waren gedurig droppings van wapens en ander materiaal. De wapens en het materiaal werden niet op of bij de boerderij verstopt. Wel waren er enkele schuilkelders in de boerderij waar meerdere onderduikers al een schuilplaats hadden gevonden. Het was er al te vol.