Pleegkinderen in huis

28-Griet-Kikkert-Pol,-Hendrik-Kikkert-en-hun-pleegkinderenVia Kinderzorg in Meppel kregen we enkele kinderen in huis. Daarna volgden er nog meer. Ook werden wij door ‘Opbouw Drenthe’ gevraagd om kinderen op te vangen die een poosje met vakantie moesten vanwege de belabberde situatie waarin ze thuis moesten leven. Zo hadden wij een Ambonees jongentje, een Duitse jongen. Een van ‘onze’ kinderen was een jongen uit Vlaardingen, zijn moeder was invalide. De jongen was nogal ondeugend en ondernemend. Hij probeerde vaak van alles uit. Steeds weer bedacht hij nieuwe fratsen. Hij beweerde eens dat hij uit de modder van het 2e Zandwijkje gas kon halen, wat hij kon doen branden. Wij waren wel zeer verwonderd dat het hem nog gelukt is ook. De jongen was erg knap. Hij is later naar Amerika gegaan om af te studeren. Hij is voor Philips gaan werken in Noorwegen. Wij hebben heel veel kinderen in huis gehad, met enkelen hebben wij nog regelmatig contact. Met de meeste is in de loop van de jaren het contact echter verloren.

Op 31 januari 1956 is mijn moeder overleden. Het had al een paar weken streng gevroren. Toen ze op 4 februari werd begraven kon de kist niet zoals gewoonlijk met de bok (boot) vervoerd worden. De lijkwagen kon over het ijs naar de begraafplaats. Na 3 dagen nam de vorst af. Mijn vader was goed gezond en kon zich nog prima alleen redden. Van onze pleegkinderen gingen Klaas en Henny weer terug naar hun vader. Gezinus en Albert gingen bij hun zus wonen. Toch wilden wij graag het werk met pleegkinderen voortzetten.

Verhuizen naar ‘Rudolph Stichting’ in De Glind bij Achterveld

29-Rudolphstichting-1962In ‘De Boerderij’ stond een advertentie waarin een pleeggezin werd gevraagd door de ‘Rudolph Stichting’ in De Glind bij Achterveld. We hadden toen al een paar kinderen van de Hervormde Stichting ‘Kinderzorg’ in huis gehad. Dit waren ook kinderen waarvan de ouders uit de ouderlijke macht ontzet waren. Om allerlei oorzaken kan een ouder tijdelijk of ook wel blijvend, niet goed voor hun eigen kind of kinderen zorgen. Deze kinderen werden dan als pleegkinderen in andere gezinnen geplaatst. In het dorp De Glind woonden veel van deze kinderen. Het dorp is gesticht door de ‘Rudolph Stichting’ en werd gefinancierd door de diaconieën van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Er was een kerk, een school en twee paviljoens. In het ene woonden jongens vanaf zo ongeveer 12 jaar oud in het andere woonden kleine kinderen en oudere meisjes. Bij de ‘Rudolph Stichting’ behoorden een kruidenierszaak, een bakkerij en winkel, een schildersbedrijf, een fietsenmaker, een smid, een timmerman en een elektricien. Verder waren er 14 boerderijen. Vanuit het hele land waren pleegouders aangetrokken om te komen wonen in De Glind. Voorwaarde was dat in elk gezin meerdere pleegkinderen werden opgenomen, naast hun eigen kinderen. Er waren veel gezinnen met meer dan acht kinderen.

Wij kregen te horen dat een van de pachters van een boerderij, naar Canada ging emigreren. We besloten te solliciteren. We kregen snel antwoord en de mededeling dat men bij ons kwam kijken en met ons praten. Wij hebben met deze mensen gepraat en verteld over onze ervaringen tot dan toe. We werden uitgenodigd om een bezoek te komen brengen in De Glind en om kennis te maken met de Rudolph Stichting. Hendrik en ik waren erg enthousiast. De zondag daarop spraken wij bij de kerk dominee Verhave. Verhave zei, ik heb gehoord dat jullie gaan verhuizen. Toch wel een beetje geschrokken antwoordden wij, daar weten wij nog niets van. Hij zei daarop, dan heb ik mijn mond voorbij gepraat. Van de Rudolph Stichting hebben ze bij mij geïnformeerd over jullie en zei hij, ik kan jullie nu wel zeggen dat jullie sollicitatie goed gevallen is en dat jullie zijn aangenomen. Twee dagen later kregen we de officiële bevestiging.

30-KikkertHendrik-koeHet was toen nog wintertijd, over ongeveer 6 weken moesten we verhuizen. Het water in de wijk was erg laag, ons boeltje bij stukjes en beetjes ,met de bok door het 2e Zandwijkje en Rechtuit naar de loods van kolenboer Eibert Jan Wiersema gebracht. Daar mochten wij de boel tijdelijk opslaan. Op de dag dat we met de verhuiswagen naar Achterveld vertrokken was het een drukte van belang. Ook ons vee moest vervoerd worden naar Achterveld. Alle broers, zwagers en andere familieleden en kennissen hielpen mee. Het was de morgen van ons vertrek een en al mist, je kon nog 50 meter voor je uit kijken. Langzaam ging de stoet over de weg. In de nog volkomen nieuwe omgeving van de Rudolph Stichting was het wel heel erg moeilijk, zelfs eng. We zijn gelukkig veilig aangekomen en werden opgevangen door de familie Brouwer. We kwamen in een flink groot huis te wonen. De eerste dagen was het nog wel behelpen. Het gezin Brouwer dat naar Canada ging, kon pas een paar dagen later vertrekken en wij vonden dat goed.

Het was wel vol allemaal, omdat ook hun vee nog enkele dagen moest blijven. De paar dagen gingen echter snel voorbij en wij konden ons inrichten. Het was wel even wennen, alles was veel ruimer en groter dan we gewend waren. Toen we ons een beetje geïnstalleerd hadden, kwamen de eerste kinderen bij ons wonen vanuit de Klimop. We kregen de liefste kinderen die in het paviljoen woonden zeiden ze tegen ons, nou mooi niet. De broertjes die onze pleegkinderen waren geworden waren erg ondeugend, vooral de oudste was wel erg vervelend. De volgende pleegzoon was een lief kereltje waar we veel plezier mee hadden. Daarna kwamen er vier kinderen uit een gezin. Van dit gezin waren ook nog drie kinderen ondergebracht bij enkele buren in De Glind. Hun vader was invalide en gebonden aan een rolstoel. Hij was bij het transporteren van een zware kachel van een bovenverdieping, met kachel en al van de trap gevallen. Zijn vrouw en de moeder van de kinderen had haar gezin in de steek gelaten. Als een van de kinderen jarig was, dan kwam vader op hun verjaardag. Omdat de drempels bij de buren te hoog waren, werden de verjaardagen altijd bij ons gevierd. Hun moeder kwam dan ook een enkele keer op bezoek. Ze nam dan snoep mee, dat moesten’ haar’ kinderen dan snel opeten, opdat geen van de andere kinderen in huis er ook maar iets van zouden krijgen.

31-Feest-RudolphstichtingEen moeder van een van onze pleegkinderen, had haar zoontje voorbestemd om later dominee te worden. De grootvader van de jongen was professor en haar zoon moest dus eerst naar de Mulo en later doorleren voor dominee. Op school zeiden ze echter al gauw, dat wordt niks, het gaat helemaal niet goed met hem, hij zit met tegenzin in de klas en leert helemaal niets. In overleg met moeder mocht hij toen naar de Land- en Tuinbouwschool. Later is hij keurmeester geworden bij de Bloemenveiling.

32-Feest-Rudolphstichting-opa-Kikkert-ookIn het dorp werd ook van alles georganiseerd zoals schoolfeesten en Koninginnedag. Er werden dan optochten gehouden met versierde fietsen en wagens. Gekostumeerd voetbal, met schele bril een bepaald parcours afleggen en nog meer van deze spellen. Elk jaar werd weer gestreden om de eerste prijs voor de mooiste versierde boog in het dorp. Zo hadden we ook alle jaren ‘bevrijdingsfeest’. Ons gezin had een keer een eigen vliegtuig gebouwd op de boerenwagen. Het was een vliegtuig dat in 1945 werd gebruikt bij voedseldropping in de laatste tijd de oorlog. Aan het vliegtuig waren allerlei lekkere dingen opgehangen.

Een ander jaar zaten al onze kinderen verkleed als kabouters op de wagen, ook mijn man en opa Kikkert uit Hollandscheveld die net een paar dagen bij ons op bezoek was.

Omdat er op zondagen voor de kinderen verder niet zoveel te doen was, gingen we, tenminste ‘s morgens met z’n allen naar de kerk. Als het mooi weer was ‘s zomers gingen we ‘s middags wel eens fietsen in de omgeving of naar de Amerongse berg. De grootsten namen de kleinsten achterop. Enkele buurmeisjes mochten op zondag niet fietsen en dus nooit met ons mee op zondag. Soms gingen ze stiekem wel eens met ons mee, achterop de fiets bij de groteren van ons. We hebben nog de mooiste herinneringen aan het bessenplukken en de picknicks op Amerongse berg. Als we weer dichtbij De Glind waren dan stapten de buurmeisjes weer af en wandelden het laatste stuk naar huis. De buren hebben daar nooit iets van gemerkt en we hebben het pas veel later aan hen verteld. Op zondag moest er ook gewerkt worden door ons. De koeien moesten worden gemolken en de varkens en kippen gevoerd. We hebben ook daar wel tegenslagen gehad. Zo bleek dat alleen bij ons opeens de varkenspest was uitgebroken. Binnen een dag werden al onze varkens, onder politiebegeleiding afgevoerd. Misschien was de rattenkolonie in de beek vlak bij ons huis daarvan de oorzaak. Als we ‘s avonds in het donker in de schuur kwamen en het licht aandeden, dan zagen we de ratten wegrennen in de richting van de beek. Met vallen en klemmen zetten en de hond van de buren pakte er wel eens een, verder was er weinig aan te doen.

33-PleegkinderenZes jaar hebben we in De Glind gewoond, het was een komen en gaan van pleegkinderen. Vooral in het begin hadden we het niet gemakkelijk. De kinderen hadden allemaal hun eigen achtergrond en problemen, ontstaan door de situatie waarin ze tot dan waren opgegroeid. Omdat we eigenlijk medelijden hadden met de kinderen, zijn we ook deze periode weer doorgekomen. Het steeds weer vertrouwen winnen en vertrouwen krijgen van de kinderen en ze dan weer loslaten, vonden we niet zo leuk. We besloten toen iets anders te zoeken. We namen afscheid van de Rudolph Stichting. We hielden boeldag. Dat was niet gebruikelijk daar. Toch was er op de verkoop van onze boedel in De Glind, een drukte van belang. Mensen kwamen van heinde en ver en alles wat wij te koop aanboden werd verkocht. Met de bus van de ‘Rudolph Stichting’ werden we verhuisd en begonnen we aan een nieuwe fase in ons leven. Het bejaardenpension ‘Alteveer’ in Velp.