De Trekgaten in en bij het Hollandscheveld

Het is overigens maar goed dat het onmeetbare veengebied niet is gebleven zoals het erbij lag toen Roelof van Echten het in 1625 overnam van de boeren van Ten Arlo en Steenbergen.

Gedeelte van een kaart van ten Have uit 1640, uit Drenthe in de kaart gekeken.

Gelukkig maar dat onze eigen Roelof van Echten 5000 morgen veengebied kocht van de boeren van Ten Arlo en Steenbergen. De boeren waren tot dan van mening dat je toch niks met dat gebied kon aanvangen. Men kon er niet varen omdat het geen water was en men kon er niet lopen omdat het geen land was. Ze hielden zelf zo’n 1300 morgen veengebied en gingen dit voor zichzelf afgraven. In wat zij toen het Eerste Blok noemden, werd door hen vanaf ’t Kruis, het Sloodsche Opgaande of de Zuidwoldiger Slood, later Alteveersche Opgaande gegraven in zuidelijke richting. Roelof van Echten had inmiddels vanaf hetzelfde punt, in noordelijke richting de Eerste Wijk gegraven, later bekend als de streek De Huizen en in onze tijd als de Hoofdstraat.

Roelof van Echten had ook nog meer gedaan. Hij ontdekte dat hij geen kapitaal genoeg had om al de voorbereidingen te maken die nodig waren alvorens hij turf kon verkopen. Hij moest geld lenen en trok geldschieters aan vanuit het westen van het land, uit Holland dus. De Hollandsche Compagnie werd opgericht en toen ging men aan de slag. Vanaf ’t Kruis werd een Opgaande in oostelijke richting gegraven. Over dit Opgaande werd de Hollandsche brug gelegd en na enige jaren werd dit Opgaande, omdat men al weer met een nieuw Opgaande aan het graven was, het Oude Opgaande genoemd. Weer later kreeg het de deftige naam Haagje.

Kaart uit Levend Morgenland van Hero Moorlag, getekend door L. Wimmenhove

Na enige honderden meters ging men meer in zuidoostelijke richting graven en dit Opgaande kreeg de naam Boekweitsloot omdat er nogal wat boekweitboeren woonden. Deze Boekweitsloot groef men door tot het meer bij het Albarts Holtien. Dit meer was 14 morgen groot. De dijk langs de Boekweitsloot werd de Hollandsche Dijk of ook wel de Langedijk genoemd en dat is nu dus een van de meest historische namen in de gemeente Hoogeveen.

Omdat er opeens veel werk aan de winkel was, kwam er veel nieuw volk op gaf en werden er veel huizen gebouwd. Het werkgebied werd opgedeeld in Rotten.

Het veen dat ten westen van de Eerste Wijk en ten noorden van de vaart lag, werd het Wester Rot genoemd. Het veen dat ten zuiden van de vaart lag en van de boeren van Ten Arlo en Steenbergen was, het Zuidwoldiger of Sloodsche Rot. Het veen dat aan de oostkant tegen het Zuidwoldiger of Sloodsche Rot aangrensde en aan de andere kant tegen de scheiding met de familie Bentinck, het veen van de Hollandsche Compagnie werd het Hollandsche Rot genoemd en de rest het Noordsche Rot. Dan lag er nog een gebied aan de noordkant van het Noordsche Rot en dit was het Pesserveld.

In het Hollandsche Rot ging het werk gestaag door en dwars op de Boekweitsloot begon men weer met een nieuw Opgaande in oostelijke richting, het HollandscheVeldsche Opgaande.

Omdat de scheiding tussen en Zuidwoldiger Rot en Het Hollandsche Rot niet pal zuid-noord was groef men de Boekweitsloot parallel aan deze scheiding. Toen het Hollandscheveldsche Opgaande begon te graven moest men dus geen haakse bocht maken maar een kromme bocht. Wat in onze tijd beter bekend is als de Liester werd vroeger de Kruumte genoemd.

Het grote en kleine Trekgat

Het veen werd zo geleidelijk aan overal afgegraven. De ondergrond was eigenlijk nog niet zo belangrijk en dus bleef de bodem van het veengebied achter in een troosteloze aanblik. Gelukkig groeide er gauw overal bos op en zo is op een kaart van 1840 een groot bos te zien tussen de Boekweitsloot en het Alteveersche Opgaaande ( boek Levend Morgenland van Hero Moorlag). Er zijn wel meer kaarten bewaard gebleven en zo is in 1923 een kaart gemaakt waarop duidelijk te zien is dat het Grote Trekgat en Kleine Trekgat ontstaan zijn.

In het boekje dat is gemaakt bij het 300-jarig bestaan van Hoogeveen wordt een wandeling beschreven, langs van ongeveer vijf kwartier: Lomanswijk. Vanaf het Kruis langs het Haagje voorbij de trambrug volgt men rechtsaf het Hollandscheveldsche Opgaande. Bij het 1e draaivonder over het kanaal, slaat men rechtsaf het laantje in. Het pad voert verder door wei- en bouwlanden met mooie gezichten op de bosschen van de Trekgaten in de verte, naar het Slood. Rechtsaf langs het kanaal naar het Kruis terug.”

Toen door het graven van opgaanden en wijken, het water uit het drassige veen weggetrokken was, kon men het veen afgraven en als brandstof gebruiken. Voor een deel voor eigen gebruik, maar vooral voor verkoop naar het westen van het land. Deze turf werd via Meppel en Zwartsluis over de Zuiderzee getransporteerd. Het veen dat boven water lag kon men zo afgraven en ook wat onder water bleef voor een groot deel wel. Men gebruikte soms windmolens en ook lang niet overal zat het veen even diep. Men vond het ook niet erg wanneer op enkele plaatsen veen bleef zitten, er was veen genoeg en men liet het zo.

Honderd jaar later wist men zich nog precies te herinneren waar in het gebied tussen de Boekweitsloot en het Alteveersche Opgaande zoveel best veen was blijven zitten. In de 2e helft van de 19e eeuw, werd dit veen alsnog boven water gehaald voor het grootste deel.

In zijn boek Levend Morgenland, beschrijft Hero Moorlag dat op de kaart van 1840 een groot bos is te zien en dat er nog niets is te zien van de trekgaten.

Op een kaart van 1923 blijkt dat het bos voor een groot deel is gekapt en er zijn twee trekgaten getekend. In het boek neemt Hero Moorlag de woorden van Egbert Schelhaas op “Man, d’r zit hier veen tot Amerika toe”. Met een vaarboom of vreakboom van zo’n 6 meter lang, kon men de bodem niet raken en die bodem is dan nog van de zachte veensubstantie vanuit de oertijd.

Het veen kon niet meer gegraven worden, maar werd uit het water getrokken. Zo kregen deze diepe veenkuilen vanzelf de naam Trekgaten. Met een net van gevlochten touw aan een ijzeren beugel gemaakt en deze baggerbeugel verbonden aan een lange stok of boom, werd de bagger uit de bodem gehaald en boven water getrokken. Op het land werd de bagger gedroogd en tot turven gesneden en daarna verder gedroogd. Deze manier van turfwinning is goed beschreven in het boek van Sietse van der Hoek Het Bruine Goud. Hij beschrijft de turfwinning op de Weerribben bij Giethoorn. Omdat het daar om zeer grote gebieden ging waar het veen zo heel diep zat, liet men daar stroken veen zitten, zogenaamde ribben, waarop het veen gedroogd werd. Door een grote stormvloed zijn deze ribben, evenals het dorp Beulake dat op zo’n ribbe was gebouwd, volledig weggespoeld en onder water verdwenen. Wat er van dat grote veengebied overbleef zijn onder andere de Beulakerwiede en Breederwiede.

Trekgat aan het Zuideropgaande

In onze omgeving zijn nog meer van deze trekgaten te vinden. Men vindt ook een turftrekgat in het vroegere Tweede Blok van de markegenoten van Ten Arlo en Steenbergen, aan en in de Jan Fikswijk, dicht bij het dorp Alteveer. Ook in het veengebied aan de oostkant van het Zuideropgaande, tussen de Calcoenswijk en de Jan Kielswijk, is ooit een trekgat gegraven. Ik ben op onderzoek uit geweest of er misschien nog iets van over is. In mijn herinnering was het trekgat in doorsnee bijna 100 meter en aan de oost- zuid- en westkant omzoomd met laag bos. In de winter heb ik daar wel geschaatst met Lucas Mulder en ook in het voorjaar was er van alles te beleven. De eendeneieren waren soms moeilijk te bereiken en soms bleef het niet bij een kletspoot. Wat is er toch gebeurd? Er is niets meer te zien, of is misschien het kleine bosje aan de middensloot een restant van het vroegere bos er omheen?

Economische redenen zijn er geweest om deze trekgaten vol afvalgrond, of wat dies meer zij, te gooien.

Het wordt tijd dat we er met z’n allen voor gaan zorgen, dat er zuiniger wordt omgesprongen met onze natuurmonumenten. Voordat we het in de gaten hebben, zijn al onze Trekgaten weg.