Historie van Lutten en Slagharen

– In 1967 verscheen dit boek geschreven door J.H. Kleine Staarman.

Kleine Staarman schrijft daarin: Het landschap van de noordoosthoek van Overijssel, gelegen ten noordwesten van de Vecht, is de eeuwen door beheerst en bepaald geworden door moeras en water. De moerassen in deze streek vormden een onderdeel van het Boertanger Moer en reikten, tussen het land van Zuidwolde en het Loodiep door, noordwaarts tot in Centraal-Drenthe, waar eens de legendarische reuzen Ellert en Brammert huisden in het Ellertsveld. Dit zich aldus tot ver in het Olde Landschap Drenthe uitstrekkende omvangrijke complex werd in de Late Middeleeuwen Echter Groote Veenen genoemd, naar de Heerlijkheid Echten in de buurt van het latere Hoogeveen. In het zuidoosten konden deze venen bij voortduring toevoer van water verwachten uit de richting van Coevorden en Gramsbergen, vooral bij langdurige regenval in herfst en voorjaar, alsook in de winter bij intredende dooi na enige vorst- of sneeuwperiode. Bij Coevorden werd het overtollige water samengebracht van het Drents plateau via Loodiep en Drostendiep, waaraan dan nog de Oude Ae, thans het Schoonebeekerdiep, haar aandeel toevoegde. Voor de afvoer daarvan moest de Kleine Vecht zorgen dragen, doch deze was voor die taak veelal niet berekend. Tegelijkertijd werd daar noordwaarts van Gramsbergen het water uit de Bentheimer bovenlanden aangevoerd door de Vecht. Waar de waterhuishouding zeer te wensen overliet had deze samenvloeiing tot gevolg, dat de landerijen tussen Gramsbergen en Coevorden tijdens natte maanden van het jaar doorgaans blank stonden. De watermassa’s moesten zich een weg zoeken naar de lage moerassen westwaarts. Deze fungeerden weliswaar als een grote spons, doch hadden hun tijd nodig om alles in zich op te nemen, zodat de watersnoden dikwijls zeer lang aanhielden.

Ook schrijft hij verderop in het boek: In de loop van de tijd trokken de Zuidwolders zich steeds minder aan van de scheiding tussen veen en zand, welke daar namelijk als markegrens gold. Aangestoken door de bedrijvigheid in ‘t Hooge Veen gingen zij tot een primitieve vervening over in de buurt van de Braamberger Gracht. Diverse wijkjes, welke daar gegraven werden, zien wij duidelijk terug op de kaart van Jacobus Kok van 1797.

De ontwikkeling in ‘t Hooge Veen werd bevorderd, doordat jonge boerenzonen uit de graafschappen Bentheim en Lingen daarheen trokken om er als veenarbeiders te werken. Die landstreken werden namelijk veel later dan de Vechtstreek (1591) van de Spanjaarden bevrijd (na 1626), en waren tengevolge van de oorlogshandelingen en Reformatie-maatregelen in zodanig armoedige staat komen te verkeren, dat naar bijverdiensten moest worden omgezien. Deze Buben – vandaar het woord Poepen – kwamen omstreeks medio maart, werkten gedurende het droge seizoen en gingen in de herfst weer naar huis. Zij kwamen meestal via de Veenebrugge de noordoosthoek binnen en bereikten dan via Hardenberg en Heemse Collendoorn. Daar gingen zij via de Geertmansdijk tot aan de Lutterbeeke, trokken die over en baanden zich een pad door het veen noordwaarts tot aan de Braemberg daar waar later de Ongelukkige Wijk zou komen te liggen. Het veenpad van de Lutterbeeke tot aan de Dijk door de Westerslagen verkreeg heel toepasselijk de naam van het Poepenpad.