Notulen Plaatselijk Belang Hollandscheveld

Bertus ten Caat heeft rond 1980 copieëen mogen maken van de ‘oude’ notulen van Plaatselijk Belang Hollandscheveld. In de jaren daarna heeft hij regelmatig interessante delen daaruit gepubliceerd. Arend Everts en Bertus ten Caat hebben nu samen de belangrijkste stukken uit deze notulen overgenomen. Het geeft een boeiend beeld van het wel en wee van het leven in de Velden in de jaren 1865 tot 1900. De tekst is overgenomen zoals oorspronkelijk geschreven.

Het reglement der vereeniging “Hollandscheveld” tot bevordering van bloei en welvaart is opgemaakt op 1 December 1865. Het reglement bevat 20 artikelen.

Art. 1 Het doel der vereeniging is in den geest der vereeniging “Hoogeveen” den bloei en de welvaart van dit gedeelte der gemeente te bevorderen. Art. 6 Het bestuur bestaat uit vier leden: president, vice-presisdent, secretaris en penningmeester. Art. 12 Ieder jaar worden er 4 vergaderingen gehouden en wel in de maanden November, December en Januarij en omstreeks Februarij bij vollen maan, ‘s avonds te 6 1/2 uur ter plaatse door de vereeniging te bepalen. Art. 18 Bij staking van stemmen beslist de president.

Het bestuur: Dr. B.M.P. van Griethuizen president, R. Troost vice-president, Dr. L.J. van Coevorden penningmeester, B. Veldkamp secretaris.

Oprichters

  1. 1. W. ten Oever
  2. L. Blomsma
  3. W. Bomert
  4. J. Zwiggelaar
  5. Js. Booij (sr)
  6. D. Koopman
  7. J. Boertien
  8. J. Ballast
  9. J. Schoonewille
  10. A. Tiegelaar
  11. H. Middelveld
  12. J. Smit (jr)

Bijgekomen leden

  1. H.S. Schonewille
  2. G.J. Willering
  3. H. Flothuis
  4. J.B. Paalman
  5. Karst Troost
  6. Klaas Troost
  7. H. Bruins Slot
  8. J. Koster Pzn.
  9. Lukas Zwiggelaar
  10. B. Boer
  11. J. Boelen
  12. J. Smit (jr)
  13. B. Vos
  14. J. Booij (jr)
  15. Andries Mol

Bijgekomen leden

16. H. Oets
17. Johannes Steenbergen
18. Hendrik Giethoorn
19. C. Pet
20. B. Spanjaard
21. Jan Troost
22. Hendrik Gugeler
23. E. van Veen
24. Jakob Kats
25. Jan Robaard
26. Jan ter Steege
27. Hendrik Duinkerken
28. L. Hartsuiker
29. Geert Maatjes
30. Arend Eshuis

Notulen van de vereeniging Hollandscheveld. Vergadering van 1 december 1865

De vergadering werd geopend met een redevoering van den heer Dr. L.J. van Coevorden, die in een korte toespraak het groote belang voor deze plaats bij de oprigting der vereeniging aanwees, de leden welkom heette en verder sprak over de beschaving als oorzaak van vermindering van ziekte. Het ontwerpreglement werd daarna voorgelezen en met algemeene stemmen aangenomen.

Een brief aan Burgemeester en Wethouders, inhoudende verzoek om herstelling van de waterbank bij de kerk, werd voorgelezen en door eenige leden ondertekend.

Daarna werd besloten Burgemeester en Wethouders te verzoeken een streng toezicht te houden op de vonders, terwijl de leden voor zooverre zij onderhoudsplichtigen zijn, beloofden in ‘t vervullen der hun opgelegde pligten in dezen een goed voorbeeld te geven.

Terwijl eindelijk het voorstel om een lantaren bij het kerkvonder te plaatsen nog al tegenkanting ondervond, weshalve aan een commissie is opgedragen de kosten van zulk een licht op te maken tegen de eerstkomende vergadering om de zaak dan af te handelen.

Het voorstel om den Raad te verzoeken alhier een brandspuit te plaatsen werd mede aangenomen-

Vergadering 5 januari 1866

De secretaris hield een redevoering over weldadigheid, waarin hij den wensch te kennen gaf, dat de vereeniging mogt medewerken tot bevordering van ‘t schoolgaan, tot werkverschaffing en tot het oprigten eener spaarbank.

Achtereenvolgens werden 2 adressen voorgelezen, één aan Burgemeester en Wethouders verzoekende strenger toezigt op de vonders, één aan den Raad inhoudende het verzoek om een brandspuit in ‘t Hollandscheveld, en werd besloten genoemde adressen op te zenden. Lang en breed werd gesproken over lantarens bij de vonders over ‘t Opgaande. Daar de Vereeniging niet bij magte was en geen genoegzame ondersteuning bij de ingezetenen met een lantaren bij ‘t kerkvonder te vergenoegen en aan een commissie, bestaande uit de heeren R.Troost, W. Bomert en L. Blomsma, opgedragen daartoe vrijwillige bijdragen op te halen en verdere uitvoering aan ‘t plan te geven.

Voorts werd met 8 stemmen tegen 6 stemmen besloten gedurende het jaar 1866 de vergaderingen bij W. Bomert te houden.

Vergadering 1 februari 1866

Ingekomen: antwoord op ‘t door de Vereeeniging ingediende adres aan Burgemeester en Wethouders van 9 januari l.l. inhoudende dat aan ‘t verzoek der Vereeniging om strenger toezigt op de vonders bij langs het opgaande, zoover moogelijk zal voldaan worden.

Uit hoofde van de geringe opkomst der leden, door buitengewone omstandigheden veroorzaakt, zal op de volgende vergadering ter sprake komen:

1. de treurige toestand van ‘t kerkhof alhier. 2. ‘t houden van verkoopingen in ‘t Hollandscheveld. 3. De verbinding van ‘t Noordsche opgaande met het Hollandschevelsche opgaande.

Op verzoek van ‘t Bestuur hield de onderwijzer Runeman een redevoering over ‘t spreekwoord: Eendracht maakt macht.

Vergadering 2 maart 1866

Na ‘t voorlezen der notulen werd door een der leden aangemerkt, dat tot dusverre aan ‘t verzoek van de Vereeniging omtrent strenger toezigt op de vonders nog niet was voldaan en voorgesteld een commissie te benoemen ten einde zoo noodig B en W aan hun belofte te herinneren. Leden van de commissie zijn: Dr. L.J. van Coevorden, W. Bomert, W. ten Oever en B. Veldkamp.

Algemeen was men van mening, dat verbetering van ‘t kerkhof niet alleen wenselijk, maar ook hoogst noodzakelijk was. Aan het bestuur werd opgedragen zich tot den Raad te wenden en die verbetering te verzoeken vanwege de gemeente.

‘t Voorstel van een der leden om pogingen aan te wenden tot verkrijging van een school op of nabij de oostelijke grenzen der gemeente vond algemeen bijval; dienovereenkomstig werd besloten daaromtrent een adres aan den Raad te zenden.

Het verbindingskanaal tusschen Noord en Hollandscheveld was van te groot belang om dadelijk behandeld te worden. Aan een commissie bestaande uit de leden J. Booij (sr), W. ten Oever, L. Zwiggelaar, J. Zwiggelaar en B. Boer werd opgedragen daaromtrent in de vergadering van November advies uit te brengen.

Het houden van verkoopingen in ‘t Hollandscheveld, hoe goed ook, kon voor den verkooper soms nadelig, soms voordelig zijn. In ‘t laatste geval werd het wenschelijk geacht ‘t Hollandscheveld voor te staan.

Het voorstel van de Raad in ‘t belang der gemeente te verzoeken boomen langs den straatweg te plaatsen, strookte volgens ‘t oordeel der meerderheid niet regtstreeks met het doel der Vereeniging.

Tenslotte werd de vergadering vergast op een redevoering van den president. Zijn eerwaarde sprak over de dronkenschap als een groot kwaad en dus als verboden, over haar nadeelige gevolgen, over de voordeelen die het vol zijn van God daarentegen aanbiedt en wees ten slotte op middelen tot bestrijding van genoemd kwaad.

Vergadering van 20 Julij 1866

De president opent de vergadering en brengt ter sprake een brief ontvangen van de Choleracommissie te Hoogeveen met verzoek om ook voor ‘t Hollandscheveld een dergelijke commissie op te rigten.

Na veel spreken namen de president, secretaris en de leden Blomsma en J. Schonewille op zich met Dr. van Coevorden en den onderwijzer Raak die commissien uit te maken.

Het lid Boelen hield een voorlezing over den tegenwoordigen in vergelijking met den ouden tijd en toonde door verscheidene voorbeelden aan, dat deze tijd voor den een goed doch voor een ander slecht kon zijn even als dat ook de door velen zoo hoog geroemde oude tijd was. Niet de tijd zelf, maar verschillende omstandigheden veroorzaken, dat het ons goed of kwalijk gaat.

Vergadering 23 November 1866

Bij de herziening van ‘t reglement werd besloten de vergadering van Julij af te schaffen en die voortaan in Februarij te houden, alsmede om de dag der vergadering miet vast te stellen, maar de bepaling daarvan aan ‘t bestuur over te laten.

De commissie voor de doorsnijding brengt rapport uit. De commissie is van oordeel, dat de doorsnijding vooreerst niet tot stand zal komen en stelt voor die tot geschikter tijd ter zijde te stellen. Dienovereenkomstig wordt besloten.

Integendeel verwachten de leden, dat een brug over ‘t opgaande eerder tot stand zal komen, wijl bij den Gemeenteraad daartoe reeds is besloten en meenen zij, dat het noodig is bij den Raad op spoed aan te dringen.

Verder wordt bepaald het reglement der Vereeniging te laten drukken en ieder lid daarvan een exemplaar te geven en bij de kerk af te laten lezen wanneer de vergadering zal gehouden worden.

Nog brengt de commissie van de lantarens verslag van hare verrigtingen uit. Zij heeft een aanmerkelijk tekort, en wenscht van hare taak ontslagen te worden. Men zal echter beproeven door een nieuwe collecte de zaak in ‘t reine te brengen.

De werkzaamheden afgeloopen zijnde werd de vergadering gesloten met een verhaal van de levenswijze, zeden en gewoonten der oude Egyptenaren.

Vergadering van 21 December 1866

Als nieuwe leden werden aangenomen E. van Veen, J. Kats, J. Robaard, J. ter Steege en H. Duinkerken. Besloten werd aan Burgemeester en Wethouders te verzoeken in deze streken een veldwachter te stationeren.

De penningmeester hield een redevoering over de spijsvertering en voeding en wees ten slotte op de overeenkomst tusschen het menschelijk ligchaam en onze vereeniging, die door overeenstemming en zamenwerking op den duur veel goeds kon uitrigten.

Vergadering van 21 Januari 1867

Ingekomen een antwoord van den Gemeenteraad op een adres der Vereeniging, waarin wordt kennis gegeven, dat de brug over ‘t Hollandscheveldsche opgaande in 1867 niet kan gelegd worden, wegens gebrek aan geld;

een antwoord van Burgemeester en Wethouders op een missieve der Vereeniging, waarin wordt berigt, dat men geen gemeente veldwachter in ‘t Hollandscheveld kan stationeren, doch een verzoek om een Rijksveldwachter volgaarne wil ondersteunen. Hierop wordt besloten dusdanig verzoek aan den minister van Justitie te doen.

In een voorlezing over de kleinigheden wees het lid E. van Veen hoofdzakelijk op het nut van spaarbanken, ziekenfondsen en dergelijke instellingen. Een der leden maakte aan de Vereeniging bekend dat het plan bestond alhier een ziekenfonds op te rigten en las het ontwerp van een Reglement van dat Fonds voor. De strekking scheen algemeen te bevallen, waarna genoemd lid de overige leden om bekendmaking en medewerking verzocht.

Voorts werd er besloten om zich aan de bevoegde magt te adresseren ten einde te verkrijgen, dat de arondissementijker jaarlijks te Hollandscheveld en Noord een dag zitting houdt ten behoeve van neringdoenden in deze streken.

Alsmede bij ‘t Bestuur der Gemeente aan te dringen op bespoediging van ‘t bouwen eener school op de hoogte van ‘t Dwarsgat van Jeulenwijk.

Vergadering van 18 Febr. 1867

Bij afwezigheid van president en vice-president werd het presidium door de secretaris waargenomen. Vele leden waren van mening dat men een nieuwe president diende te kiezen, aangezien de president nog geene vergadering had bijgewoond in den loop van dit jaar en alzoo een onverschilligheid aan den dag legde, die velen onbegrijpelijk voorkwam. Na eenige deliberatie werd besloten daarmede te wachten tot November, tenzij ‘t mogt blijken dat de president er belang in stelt zijn functie te blijven waarnemen.

Het lid J. Boelen hield een redevoering over de Maatschappelijk zamenleving en wees daarin hoofdzakelijke op de ruime belooning van den arbeid, gebrek aan kennis als oorzaak van gebrek aan arbied, de schoone inrigting der Maatschappij als ‘t werk van God en het ongegronde van de klagten over den slechten tijd.

Voorgesteld en aangenomen te verzoeken aan ‘t Gemeentebestuur

1. om verhooging van ‘t tractement van onze Geneesheer tot f 200 ‘s jaars,

2. Burgemeester en Wethouders andermaal te verzoeken om beter toezigt te houden op de vonders en paden bij langs ‘t opgaande,

3. de Directie der Kanaalmaatschappij te verzoeken om spoedige herstelling van een paar vonders over ‘t opgaande.

4. Ten laatste werd voorgesteld uit de kas der Vereeniging bijdragen te doen tot het oprigten van lantarens bij de vonders over ‘t opgaande. Na een lange woordenwisseling over deze zaak werd besloten er in een volgende vergadering op terug te komen. B. Veldkamp.

Vergadering van 1 Julij, 1867

De vergadering werd geheel toegewijd aan het stellen van kandidaten voor de aanstaande verkiezing van gemeenteraadsleden. Na eenige deliberatie zoo over aftredende leden als over nieuwe candidaten werd tot de stemming overgegaan. De uitslag der stemming was als volgt: Mr. J. Oldenbandring 11, Tonckens 12, v.d. Lelie 12, van Coevorden 7, R. Troost 4, Rhader 6, en Winkel 3 stemmen, terwijl Berkenbosch, Brinks Paalman, Bomert, Maatjes en Ballast ieder 1 stem bekwamen. Alzoo waren de 4 eerstgenoemden tot candidaten gesteld en werd Rhader na enkele herstemmingen alzoo candidaat. B. Veldkamp.

Vergadering 11 November 1867

Verslag der Vereeniging Hollandscheveld over ‘t tweede jaar van haar bestaan.

Onze vereeniging telde bij aanvang van ‘t 2e jaar haars bestaans 35 leden, welk getal in den loop des jaars met 9 vermeerderd werd en met 9 verminderd overeenkomstig art 6 van ‘t reglement hebben opgehouden lid te zijn. Dus is ‘t getal leden 35 gebleven.

De op de gewone vergaderingen gehouden voordragten bragten zeker ‘t hunne bij tot veraangenaming onzer bijeenkomsten, terwijl de onderlinge gesprekken ontrent onze plaatselijke belangen, getuigden van eendragt en welwillendheid, ofschoon de min gunstige uitslag onzer bemoeijingen wel eens ontevredenheid bij sommige leden opwekte. ‘t Werkt zeker niet gunstig op ‘t karakter van een kind, dat reeds eenig bewustzijn verkregen hebbende, zijn billijke wenschen en verzoeken ter bevrediging zijner behoeften ziet afwijzen door een onmeedoogende moeder, die bij al de zorg voor zich zelven, haare kinderen vergeet. ‘t Maakt ze wrevelig en halstarrig en ontevreden; ‘t kan ze echter ook versterken in ‘t geduldig dragen van ‘t lot, in oefening en ontwikkeling van eigen kracht.

We hopen daarom ook, als we u moeten mededeelen wat de Vereeniging in ‘t afgeloopen jaar gedaan heeft en hoe gering de resultaten harer bemoeijingen waren, dat zulks u niet tot ontevredenheid opwekke, maar integendeel u moge aansporen om met vereende kracht het goede voor te staan en met geduld en volharding ook eigen krachten in te spannen tot bevordering van welvaart en bloei.

Het verzoek der Vereeniging aan ‘t gemeeentebestuur om in 1867 gevolg te geven aan zijn besluit om een brug over ‘t Hollandscheveldsche opgaande te leggen werd afgewezen omdat de geldelijke toestand der Gemeente zulks voor als nog niet toeliet. Wat in ‘t vat zit verzuurt niet; we willen dan ook hopen dat onze wenschen dienaangaande eerlang vervuld mogen worden, te meer daar uit de rekening der Gemeente gebleken is, dat ons Bestuur in ‘t afgelopen jaar eenige gelden heeft besteed tot verbetering van den Rieghoogtendijk.

Aan B. en W. hebben we verzocht één der gemeente veldwachters in deze streek te doen wonen. B. en W. hebben daarop geantwoord geen veldwachter aan de Plaats te kunnen missen, doch waren bereid een verzoek der Vereeniging aan den Minister om een rijksveldwachter te ondersteunen. Dat verzoek is gedaan doch afgewezen. Evenwel zou ‘t de Vereeniging vrijstaan om geschikte personen voor een aanstelling als onbezoldigd rijksveldwachter aan Z.E. voor te dragen.

Een verzoek aan Ged. St. dezer provincie dat ten behoeve van neringdoenden in deze streken de ijker jaarlijks op de streken Noord en Hollandscheveld een dag zitting mogt houden, is onbeantwoord gebleven.

Werd ten vorigen jare de behoefte aan een school op de oostelijke grenzen der Gemeente in onze Vereeniging besproken, we meenen, dat in die behoefte eerlang zal worden voorzien. We betreuren ‘t echter, dat de Raad heeft besloten, die tusschen de Brouwers- en Schutswijk te plaatsen en niet op Jeulenwijk, zooals de Vereeniging aan B.en W. verzocht, aangezien daar volgens hare meening de meeste behoefte bestond en ze nu in een minder bevolkte streek wordt geplaatst, die voor kinderen van ‘t Oostopgaande en Jeulenwijk ontoegankelijk zijn zal, indien er niet voor geschikte paden gezorgd wordt.

De slechte toestand der vonders en voetpaden bij langs ‘t opgaande blijft nog altijd een groot bezwaar voor ‘t onderling verkeer der ingezetenen van deze streken, vooral in de winter, ‘t schijnt echter, dat het moeijelijk valt daarin de gewenschte verbetering te krijgen, zoolang ‘t toezigt daarop bij ‘t dagelijksch Bestuur der Gemeente is. Althans ‘t herhaald verzoek der Vereeniging om strenger toezigt, mogt voor zooverre ‘t ons gebleken is weinig baten.

Op het verzoek om verhooging van tractement van Dr. van Coevorden als armendokter in deze streken is nog geen antwoord bij de Vereeniging ingekomen, ofschoon ‘t verslag der Raadsvergaderingen een weinig bemoedigend antwoord doet verwachten.

Voorts hebben we nog te vermelden, dat in een buitengewone vergadering tot verkiezing voor leden van den Gemeenteraad de Vereeniging ‘t geluk had 4 van de door haar verkozen kandidaten, tot leden van de Raad benoemd te zien, ofschoon ‘t haar niet gelukte een lid voor den Raad uit deze streken benoemd te krijgen.

Eindelijk mogen we als vrucht van onze bemoeijingen nog mede te deelen, dat in den afgeloopen winter op ons verzoek eenige verbetering op ons kerkhof is aangebragt, door ‘t bevorderen van een goede afwatering. Namens ‘t Bestuur B. Veldkamp.

Buitengewone vergadering van 8 Julij 1868

Als nieuw lid wordt aangenomen Jan Moes. Met algemene stemmen wordt het Bestuur opgedragen aan den Raad te verzoeken de oprigting van 1 of 2 veemarkten en wel in Junij en Augustus.

‘t Wordt algemeen wenschelijk geacht de Vereeniging als regtspersoon te doen erkennen, dienovereenkomstig wordt besloten daartoe pogingen in ‘t werk te stellen na de herziening van ‘t Reglement in November.

Na de behandeling dezer punten kwam de vice-voorzitter ter vergadering en werd tot de benoeming van candidaten voor leden van den Raad overgegaan. Nu de bespreking der aftredende Raadsleden en eenige nieuw voorgestelde candidaten werden de aftredende leden Schelten en Robaard met algemene en J.B. Slot met 7 stemmen gekozen terwijl Berghuis, J.E. Boertien en v. Coevorden 2, J.P. Smit, P. Bruins Slot, J. v.d. Wolde Bzn en K. Koekoek ieder 1 stem bekwamen. Bij herstemming tusschen de 3 eersten verkreeg Berghuis 2, v. Coevorden 2 en J.E. Boertien 5 stemmen, welke laatste aldus de meerderheid had.

Voor een nieuw Raadslid in plaats van Mr J. Oldenbandring, verkreeg van Coevorden 8, Brinks Paalman 1 stem.

Vergadering van 26 Nov. 1868

Herkozen werd als president Dr L.J. van Coevorden, als secretaris B. Veldkamp, als penningmeester J. Boertien, terwijl in plaats van R. Troost tot vice-president J.B. Paalman werd gekozen. De secretaris brengt verslag uit van ‘t 3e jaar van haar bestaan, waarna besloten werd genoemd verslag in de Hoogeveensche courant te doen opnemen.

Het bestuur heeft zich namens de Veeeniging tot den minister geadresseerd ten einde eenige verbetering in ‘t postwezen alhier te verzoeken.

‘t Bestuur stelde voor in 1869 geen subsidie meer te verleenen ten behoeve eener naaischool, t’ geen werd aangenomen.

‘t Voorstel van ‘t lid Blomsma om met meer aandrang zich tot het Gemeentebestuur te wenden of zoo nodig tot Gedeputeerde Staten om een spoedige uitvoering te erlangen van de doortrekking van Rieghoogtendijk werd na enige discussie weder ingetrokken.

‘t Lid J.B. Paalman stelde voor om per adres aan de Gemeenteraad te verzoeken om lantarens bij de vonders over de hoofdkanalen in deze streken. ‘t Geen besloten werd. Hollandscheveld 28 Nov. 1868, B. Veldkamp.

Vergadering 30 Dec, 1868

Als nieuwe leden werden aangenomen: B. Schutte, Evert Veldman, Hendrik Veldman, Dirk Brandlicht en Johannes Hummelen Smit. De president hield een lezing over de eigenschappen en oorsprong der huisdieren. Daarna werd overeenkomstig art. 13 van ‘t reglement met 20 tegen 5 stemmen besloten in 1869 ten huize van W. Bomert te vergaderen.

Tengevolge het bestuur der vergadering van 9 Dec. 1867 omtrent het bevorderen van geregeld schoolgaan, stelde het bestuur voor het doen eener keuze van belooning voor getrouw schoolgaan aan de gezamentlijke onderwijzers op te dragen. Een der leden was voor een commissie door de leden verkozen. Bij staking der stemmen werd door den president beslist en aan de gezamentlijke onderwijzers opgedragen een geschikte keuze te doen.

Ingekomen:een brief van den inspecteur der posterijen vragende om inlichtingen aangaande den persoon J.W. Prigge, postbode op Hoogeveen tengevolge van een adres der Vereeniging aan ZE. den Minister van Financiën. Het bestuur deelt mede, dat het niet geaarzeld heeft een gunstig advies van genoemde postbode te geven.

Een brief van den provincialen correspondent der Vereeniging tot afschaffing van sterken drank benevens ‘t Algemeen reglement van genoemde vereeniging. Na lezing van een en ander werd besloten genoemde correspondent mede te deelen, dat onze Vereeniging ten volle beaamt dat een onbetamelijk gebruik van sterke drank zeer zeker de bevordering van bloei en welvaart niet toelaten voor als nog zich geheel van sterke drank te onthouden, dat echter de Vereeniging gaarne wil medewerken tot bevordering van ‘t goede doel der Vereeniging tot afschaffing van sterke drank en dus ook van de gelegenheid tot verspreiding van hare geschriften zal gebruik maken.

Een der leden vroeg: wat er gedaan moest worden om over ‘t Hollandschvelsche opgaande een vonder te krijgen. Genoemd vonder grootendeels van particulier belang zijnde, achtte de meerderheid dat hier van wege de Vereeniging niets kon gedaan worden. E. Veldman, W. Bomert en L. Blomsma namen echter op zich bij belanghebbenden gelden voor genoemd doel in te zamelen en bij genoegzame deelneming een vonder te plaatsen tegenover de molen van W. Bomert.

Een ander lid wenschte eenige verandering bij Jan Kiels vonder, waar de passage bij avond gevaarlijk was, en opsnoeijing der boomen bij langs het Hollandschevelsche opgaande.

Nog een ander lid zou gaarne verbetering zien van den weg bij ‘t huis van Molt enz.

‘t Bestuur nam op zich pogingen aan te wenden tot wegneming van genoemde bezwaren.

De vraag of ‘t mogelijk zou zijn hier een arbeidersvereeniging op te rigten, werd wegens ‘t vergevorderde uur en de wijd uiteenloopende gevoelens der leden niet voldoende opgelost, daar ‘t hoog tijd werd de vergadering te sluiten.

Vergadering van 28 Jan. 1869

De notulen der vorige vergadering werden gelezen en goedgekeeurd. Aanwezig waren 19 leden: J. Ballast, H. Krikken, A. Strijker, J. Booij Sr., G.J. Willering, Johan Smit, H. Giethoorn, W. Bomert, G.J. Kuiper. W. Prigge, E. van Veen, A. Eshuis, E. Boering, H.H. Duinkerken, J. Boelen, J. Zwiggelaar, L.J. v. Coevorden, Veldkamp, en Blomsma en nieuw lid H.B. van Veen. Een ander lid werd met 11 tegen 9 stemmen niet aangenomen.

De behandeling van ‘t voorstel om de vonders bij de kerk te Holl.veld en de school te Noord ten behoeve der schoolkinderen en oude kerkgangers van leuningen te voorzien, wordt uitgesteld tot de volgende vergadering, terwijl intussen ‘t Bestuur de vergunning daartoe van de Directie der Kanaalmaatschappij zou verzoeken.

Aangenomen werd het voorstel om bij genoemde vonders voor rekening der Vereeniging haken te leggen uit voorzorg indien er soms kinderen in ‘t water mogten raken.

De onderwijzers deelden mede, dat men ‘t 50 jarig bestaan der scholen te Noord en Hollanscheveld door een kinderfeest wenschte te herdenken en vroegen een geldelijke bijdrage voor dat feest van de Vereeniging.

Besloten werd dit voorstel in de volgende vergadering te behandelen.

Een der leden stelde voor, dat de Vereeniging pogingen zou aanwenden om uit vrijwillige bijdragen een vast fonds te verkrijgen, ten einde daardoor den eersten stoot te geven aan de oprigting eener arbeidersvereeniging, die ten doel heeft door wekelijksche besparingen den arbeider in staat te stellen zich voor gebrek en armoede in den winter en bij mogelijke rampen te bewaren. Overeenkomstig het voorstel werd besloten, dit van wege de Vereeniging lijsten ter intekening bij de gegoedde ingezetenen der Gemeente zullen rondgaan.

Eindelijk werd er gesproken over het wenschelijke om alhier één verkooping van vee, huisraad, enz. te houden ten behoeve van ieder die daarvan gebruik wenscht te maken. Alle leden achtten zulk een verkooping nuttig, waarop aan een commissie, bestaande uit de leden: Bomert, Blomsma en Ballast werd opgedragen, een vast plan tot het houden van zulk een verkooping tegen de volgende vergadering op te maken.