Wij zijn op 1 mei 1940 verhuisd naar het Oostopgaande 18 in Hollandscheveld

De inboedel zal zeker in de bok geladen en per bok daar naar toe gevaren zijn. Het huisraad, potten en pannen en beddegoed en wat er maar mee moest naar het nieuwe huis. Maar ook de kippen, de varkens en de hond Carro. Zoals gebruikelijk toen zullen de broers en zwagers, buren en vrienden daar mee geholpen hebben. Vanaf de Bentincksdijk varen door de wijk naar het Hollandscheveldsche Opgaande en dan naar het oosten en bij de Hervormde Kerk op het Hoekje, voor het Rechtuit rechtsaf en door het Zuideropgaande naar het zuiden en dan linksaf het Oostopgaande in naar het oosten tot de bocht.

De koeien en jongvee, behalve het jongste kalf, zullen te voet en te poot langs de Bentincksdijk naar de Riegshoogtendijk zijn gelopen. Dan langs de tramlijn of de Riegshoogtendijk naar het Jan Wintersdijkje en dan voorbij de Gereformeerde kerk naar en over de brug naar de andere kant van het Zuideropgaande.
Vanaf de brug bij Harm Huisjes, ging het Jufferspad of de Juffersdijk, meestal de Schapendijk genoemd, naar het Oosten. Deze dijk was oorspronkelijk een officieel pad. Alle landerijen tussen het Oostopgaande en deze Juffersdijk waren door een sloot gescheiden en alleen via een dam in de sloot te bereiken. De latere eigenaren of gebruikers van deze landerijen hielden zich niet allemaal aan deze officiële regel.

Links van de Schapendijk of de Juffersdijk (noordkant) was dus een sloot maar ook rechts, aan de (zuidkant) was een sloot. Die sloot was de scheiding met het land van Hendrik Boessenkool. Aan de zuidkant daarvan was en is de Jufferswijk nog steeds. De oude Juffersdijk of de Schapendijk is er nu in 2014 ook nog wel, maar onbegaanbaar.

Toen we later een paard hadden was dit ook weer hetzelfde pad om uit het wijkengebied te komen. Rechts van de Schapendijk of Juffersdijk was het land van Hendrik Boessenkool en dan de Jufferswijk. De oude Juffersdijk is hier en daar nog een beetje waar te nemen, de Jufferswijk is er nog helemaal maar is niet meer bevaarbaar. Het oude traject van het Juffersdijk is nog op enkele routekaarten herkenbaar en is kennelijk nog steeds zo in de papieren beschreven.

Vanaf het Zuideropgaande tot de Zesde wijk was alles goed. Vanaf daar moest een passant met of zonder vee, telkens het hek openen en weer sluiten. Dat was vooral lastig als het vee nogal ongeduldig was. Het laatste deel van de route, vanaf en net voorbij het land van Harm Kuiper, moest iedere passant vlak langs de sloot of door het gewas gaan.

Vanuit deze Negende wijk waren de Tweede wijk en de Derde wijk naar het oosten gegraven. Het Oostopgaande was de Eerste wijk. Men kon alleen met moeite langs of door een gewas van buurman Blokzijl gaan, om het oude pad langs de zuidkant van de Derde Wijk te bereiken. Na ongeveer een kilometer konden wij dan via dam in deze wijk, dan een bospad naar het Noorden en zo ook via een dam in de Tweede Wijk naar de noordkant. Dan weer langs de noordkant van deze wijk naar het westen. Eerst langs het land van Veenstra, dan ten Hoorn Boer. Dan een pad zoeken door onze eigen ‘verbouw’ naar het westen, om eindelijk in de zuidoosthoek van het Oostopgaande met de Negende Wijk te komen.

Later is een nieuw fietspad aangelegd aan de zuidkant van de sloot en over het land van Boessenkool kreeg de mooie naam JUFFERSPAD en is zo mooie herinnering aan vroeger.

Het fietspad gaat door tot de Marten Kuilerweg en gaat even naar het noorden en dan bij de Tweede wijk, voorbij waar ooit de boerderij van Hendrik Groote stond. Daarna wordt het Oostopgaande gekruist en komt uit op de Akkerweg.

Wonen in een wereld van vonders, wijken en opgaanden

We woonden vanaf mei 1940 aan het Oostopgaande, in de bocht aan vonderskant. Op de zuidoosthoek van het Oostopgaande en de Negende Kortewijk. Het veengebied daar was vroeger van dominee/vervener F.C. de Vriese. Het Oostopgaande werd vanuit het Zuideropgaande naar het oosten gegraven. Vanuit het Oostopgaande liet de Vriese negen korte wijkjes graven naar het zuiden tot de Juffersdijk of Schapendijk om de gegraven en gedroogde turf te kunnen afvoeren.

Bij de Negende wijk kreeg hij ruzie met de andere verveners. Niet zo vreemd trouwens omdat ze er achter kwamen dat hij het Oostopgaande tot zover niet had laten graven volgens afspraak. Dit zou gebeuren voor de helft door zijn eigen gebied en de andere helft door het veengebied van zijn buurman.

1935 Kaartdeel negen Korte wijkjes vanuit het Oostopgaande gegraven naar het zuiden tot de JuffersdijkVanaf de Negende wijk wilden zijn compagnons niet meer samen werken en moest hij alleen verder met het graven van het Oostopgaande. Vanaf de Negende Korte wijk is het Oostopgaande dan ook een volle breedte meer naar het zuiden gegraven. Zo is dus de bocht in het Oostopgaande ontstaan. Het Oostopgaande is uiteindelijk gegraven tot voorbij Nieuwlande, naar het Woeste en later nog verder tot het Kanaal Coevorden Zwinderen. De Tweede wijk en de Derde wijk zijn gegraven vanuit de Negende Korte wijk en lopen parallel met de Jufferswijk en de Schutswijk en meer wijken naar het Oosten. Tot overmaat van ramp voor de Vriese, was er verder naar het oosten eerst een lange en brede metershoge zandberg. Ook was er geen of nauwelijks veengroei geweest.

Het was geen best land, soms kwam bij het ploegen leem naar boven, op enkele hogere stukken het tegenovergestelde, hele stukken veen, vaak zo droog als turf. Andersom waren er ook stukken waar geen veen meer te bekennen was. Daar was alleen maar zand, soms ook leem met daarin dikke keistenen. Bij het ploegen van de bouwgrond niet ver van de middensloot, werd de ploegschijf al enkele keren beschadigd. Besloten werd dan ook om deze steen, in de winterperiode wat dieper in de grond te laten verdwijnen. Tijdens het graven bleek dat het nog niet zo gemakkelijk zou gaan. Het bleek wel een erg dikke keisteen te zijn. De steen kwam inmiddels bijna boeven het maaiveld uit en de plaats was al ‘gemerkt’. Het graven was nogal een klus. Het breedste en zwaarste deel van de steen lag onderaan. Naast de steen werd een diep gat gegraven en het is gelukt om deze kei uiteindelijk, niet zonder gevaar, op zijn kant te krijgen. Mogelijk is deze dikke steen later wel als een deel van een soort modern ‘hunebed’ gebruikt.

De omgeving daar was ook afgelegen en het was een soort niemandsland waar geen huizen zijn gebouwd grenzend aan bossen en veel woest land. Tijdens Tweede Wereldoorlog ’40-’45 was dit een ideaal gebied waar veel onderduikers een schuilplek hebben gevonden.

Boerderij Oostopgaande nr. 18 in de bocht zuidoosthoek Negende KortewijkDit is de boerderij van de familie Bruins Slot. Het huis is gebouwd voor het jaar 1900. Op de topografische kaart van 1900 staan al de huizen Oostopgaande 10, Oostopgaande 12, Oostopgaande 18 en de driekamerwoning Oostopgaande 7-9-11. Deze foto is van latere tijd omdat rechts op de foto al het huis staat dat in 1924 is gebouwd voor Jan van de Meer. Later kwam Fredrik Blokzijl hier wonen.

Dit is niet de petroleumlantaarn die voor ons huis stond, maar wel eenzelfde exemplaar zoals er toen veel waren.Van de familie Bruins Slot kreeg ik een beschrijving van de omgeving van de Bocht in het Oostopgaande. “De boerderij had vroeger vier grote ramen voor het huis. Met de bok haalden wij heide en bramen voor de feesttent onder de appelbomen. Niet alleen over de Tweede wijk, ook over de Derde wijk lag een vonder. Zo kwamen we op de schapendijk en dan linksaf naar het fietspad naar Elim. Er waren geen hekken. Het was Stilte in het bos en ook bij het fietspad. Langs de Derde wijk was ook een pad naar het oosten”.

Wij woonden aan de zuidkant van het Oostopgaande, maar net voorbij ons huis was een draaivonder over het Oostopgaande. Als wij met de fiets weggingen dan gingen wij wel over het draaivonder naar het voet- en fiets pad langs de noordkant van het opgaande. Langs de zuidkant van het Oostopgaande was ook wel een voetpad, maar met de fiets moest men bij elk van de negen wijken afstappen. Zelfs dan was het wel moeilijk om over het vonder de andere kant van de wijk te bereiken. Soms was de leuning langs het vonder er niet weer opgelegd en was het zelfs moeilijk om het evenwicht goed te houden. Het was wel eens lastig voor een bokvaarder om de leuning weer terug te leggen. Voorbijgangers hielpen dan ook wel eens om dat te doen. Menigeen heeft het passeren over een vonder zonder leuning met een nat pad moeten bekopen. Tussen de bocht in het Oostopgaande en het Zuideropgaande waren zo negen korte wijken met een vonder.

Dit is niet het draaivonder met leuning en gewichtenbak dat in de bocht van het Oostopgaande lag. Dit is het vonder over het Zuideropgaande bij de molen van Eshuis.In de tijd dat wij daar woonden, woonde enkele honderden meters verder richting Nieuwlande, aan de noordkant van het Oostopgaande nr. 13 de familie Lambert ten Caat. Daar net voorbij stond een lanbouwschuur van boer Veenstra van Nieuwlande. Veenstra had land aan weerszijden van het Oostopgaande. Het was hoog land vanaf daar, ongeveer twee meter hoger dan het voetpad langs het Oostopgaande. Iedereen die zich dat gedeelte van het Oostopgaande kan herinneren, weet nog hoe je tegen die hoge wal aan moest kijken. De een lopend en trekkend in de lijn voor de bok in het water en de ander de bok voortduwend achter de bok in het water. Weer anderen fietsend of wandelend.

Het Oostopgaande was een hoofdvaart en voor bijna iedereen die daaraan woonde de enige mogelijkheid om dingen te vervoeren was, door het Oostopgaande of langs het Oostopgaande. Het Oostopgaande is gegraven tot ver voorbij Nieuwlande.

Inmiddels is het Oostopgaande in Hollandscheveld al lang de Schoonhovenweg geworden. Het is nu allemaal weg. Na de bocht, nabij het meest onrendabele gebied van dominee de Vriese, is nu de recreatieplas ‘Schoonhoven’.

Op de achtergrond de driekamerwoning Oostopgaande nrs.7-9-11. Op de foto is te zien dat Harm Metselaar de woning Oostopgaande 7 behoorlijk verbouwd en uitgebouwd heeft.Deze foto is gemaakt omstreeks 1946. De buurkinderen staan aan het water vooraan op de westkant van de Negende wijk met de rug naar het Oostopgaande. Over de wijk lag een vonder naar de boerderij van Bruins Slot, waar Jan Everts en Geesje Kikkert met hun gezin hebben gewoond tot mei 1950. Op de achtergrond de driekamerwoning die ook al op de te zien is op de kaart van 1900. De linkse kamer van deze driekamerwoning voor een deel weggebroken ca. 1930. Harm Metselaar woonde daarvoor aan de Tweede Wijk en bouwde hier een geheel nieuwe woning tegen de kamer waar zijn vader ging woonde. In de middelste kamer woonde de weduwe van der Weide met haar zoon en rechts Walraad Benjamins en Johanna Kamman. Rechts net buiten beeld ligt het vonder over het Oostopgaande. Vanaf daar was kon met te voet of per fiets naar de Oostwijk. Over de Oostwijk lag een halve boomstam met de platte kant naar boven, zonder leuning. Daar passeren moest men wel durven en gewend zijn.

In 1924 werden aan het Oostopgaande vijf zogenoemde landarbeiderswoningen gebouwd.

Deze landarbeiders woning werd in 1924 gebouwd voor Jan van de Meer. Voor 1940 is daarna het gezin van Fredrik Blokzijl er komen wonen.Hendrik Vos bouwde voor eigen rekening op nr. 2 (later Koen Streutker)
Evert Everts (een van de landarbeiders) nr. 4
Koert Vaartjes (een van de landarbeiders) nr. 6
Lubbert Vaartjes (een van de landarbeiders) nr. 8
Harm Arends Kikkert, daarna Hendrik Benjamins (eigen boerderij) nr. 10
Sake Boertien (eigen boerderij maar pas veel later gebouwd) nr. 10a
Engbert Ten Hoorn Boer (eigen boerderij) nr. 12
Jan Corba (een van de landarbeiders) dit werd later Harm Kuiper nr. 14
Jan van de Meer (een van de landarbeiders) dit werd later Fredrik Blokzijl nr. 16

Wonen, aan de zuidkant van het Oostopgaande, op de oostkant van de Negende Korte wijk! Hoe heeft het kunnen gebeuren in 1940. Vanaf die woonplek bleek het haast onmogelijk om met vee de Schapendijk ook wel de Juffersdijk genoemd, te bereiken. Wij hadden vier of vijf koeien, een aantal fokvarkens en ook twee hokken met kippen.

Het boerenwerk was heel complex in onze omgeving toen. De mest uit de stallen werd op een kruiwagen geschept en vervolgens naar de mestbult gebracht. De mestbult begon echter als mestgat en zo dicht mogelijk graag bij de grup achter de koeien. De mest uit de koestal was zo meestal, zonder gebruik te maken van de kruiwagen, wel met een speciale schop en met een zwaai op de mestbult te smijten. De mestbult op het mestgat moest later nog weer naar het land gebracht worden. Ook weer met de mestgreep en kruiwagen in en uit de bok over het wei- of bouwland gebracht worden.

In de varkenshokken lag toen nog niet een vaste betonnen bodem. Als een fokzeug geen flinke kram in de neus had, dan kon die een gat graven waardoor er geen ruimte meer over bleef om te gaan liggen. Het was elke keer weer een heel avontuur om een toom biggen groot te krijgen om verkocht te kunnen worden. Het begon al met de vraag: komt de beer hier naar toe of moet de zeug daar naar toe. Niet alle biggen gingen na een tijd van groeien naar de slachterij. Elk jaar werd wel een varken geslacht om zo als spek, metworst of leverworst of anders als mensenvoedsel te eindigen. Dat gold trouwens ook voor pluimvee.

Op de deel was bovendien een welput met een pomp erop. Het was een goede welput, het water kwam diep uit de bodem. Wij hebben nooit gebrek aan drinkwater voor het vee gehad. Het water was ook goed om zelf te drinken en voor huishoudelijk gebruik.

Bovendien hadden wij ook een regenbak binnen, naast de dubbele baanderdeur. Het regenwater dat via de dakpannen van het achterhuis kwam, ging via een ‘regenpijp’ de regenbak in direct naast de baanderdeur. Het regenwater vanaf het woongedeelte kwam zo ook in de regenbak terecht maar vanaf de andere kant. Ook het regenwater was meestal goed om te drinken. Wij waren het gewend, het was gewoon zo op het platteland.

Op de koestal konden vijf of zes koeien staan en wat jongvee. Aan de waterkant tussen de wijk en het huis was het ‘mestgat’. De grup werd dagelijks met de ‘strontschuppe’ leeggemaakt. De mest ging zo de staldeur uit – in het mestgat. Vreemd was dat het pad naar de tweede en derde wijk vlak langs de staldeuren liep. De achter ons aan de Tweede wijk wonende buren moesten vlak langs de staldeuren en het mestgat langs.

Het was ook de periode 1940-1945 van de Tweede Wereld oorlog.

Paspoort tijdens de bezetting 1941Iedereen, behalve de kinderen, moest altijd een paspoort bij zich dragen.

Het boerenland bemesten, bewerken, zaaien en oogsten. Het was bijna alles handwerk. Als het weer de tijd was van graandorsen, dan werden de schoven van het land naar de wal gebracht en in de bok gelegd. Twee draagstokken werden op de grond gelegd en de schoven er dwars overheen. Was alles in de bok dan werd de rogge naar de dorsmachine gebracht bij Boessenkool of nog verder vooraan bij de Carstenswijk-Carstensdijk en vervolgens het graan en de strobalen weer in de bok en mee naar huis. Zo ging het evenzo met hooi en met alles wat niet met de kruiwagen of anders naar de boerderij gehaald kon worden.

Paspoort tijdens de bezetting 1941Men was het gewoon en op zulke woonsteden kon het haast niet anders. De mest van de mestbult moest ook heel omslachtig naar het bouwland of weiland gebracht worden.

Ook huishoudelijke zaken gingen op de wijze zoals toen meest gebruikelijk.

De bakker, kruidenier, de petroleumboer en zo meer kwamen per boot bij de bewoners van de streek langs. Zo was het en zo leek het te blijven. Gelukkig niet.

Boerderij Oostopgaande 18 met een smal pad langs de staldeuren voor de achterburenEr was nog geen KI uitgevonden. Wanneer een koe ‘tochtig’ was dan moest mijn vader met de koe naar de stier. Eerst over eigen land naar de Tweede Wijk en daar langs de wijk, ook over het land van Ten Hoorn Boer en Hilbrand Veenstra en dan via een doorwaadbare plaats in de Tweede wijk, rechtdoor het bos naar het zuiden en langs het pad aan de zuidkant van de Derde wijk naar het westen, langs het bouwland van de buren en dan zo naar de Schapendijk. Vandaar kon men, na een aantal hekken te openen en te sluiten, naar de stier van Engbert ten Hoorn Boer die op het Oostopgaande nr. 12 woonde. Zo moest het ook ongeveer gaan als de fokzeug de beer moest of wilde ontmoeten, maar dan ging het nog veel verder weg.

Een regenbak buiten om het regenwater via dakpannen en dakgoot op te vangen.Als de kippen een paar jaar oud waren, dan nam de eierenproductie snel af. Omdat een mens moet eten werd er nogal eens een kip geslacht en ging in de soep. Ook kwamen handelaren in kippen en konijnen regelmatig aan de deur om te vragen of er iets was te handelen. Voor op de fiets had men een grote korf een ‘benne’ waarin de kippen werden verzameld. Ook kwam wekelijks de eierenhandelaar langs om de eieren op te halen.

Om ook eieren te kunnen verkopen was het moeilijkste om elk jaar weer 100 kuikens op te fokken tot legkip, om over pakweg een jaar eieren te kunnen verkopen was nog niet het moeilijkste. Maar in het begin was het potkacheltje bij de jonge kuikentjes nog wel eens zeer bewerkelijk en beslist niet zonder gevaar. Zodra de kuikens dan naar buiten mochten liepen die opnieuw gevaar, nu om door een ekster of kraai opgepeuzeld te worden. Als wij het paard van opa Kikkert ophaalden en ook later toen we zelf een paard hadden was dit ook weer hetzelfde pad om uit het wijkengebied te komen.

Het meest gebruikte transportmiddel toen was de bok. Het laden van de bok was handwerk, ook het verplaatsen van de bok en ook weer het lossen van wat geladen was. We deden het zo, omdat het moeilijk anders kon. De meest gangbare bok was een zes- tonner, maar ook waren er veel vier-tonners. Beroepsvervoerders gebruikten meestal een tien-tonner of zelfs een twaalf-tons bok. Ook waren er veel kleinere boten, meestal punters genoemd. Voor de kruideniers en bakkers en ook de petroleumventer was dat handiger in gebruik. Ooit werd in die jaren de ‘geneesheer’ op leeftijd’ zo wel eens naar een patiënt gebracht. Ook oudere personen die niet goed meer konden lopen werden nog wel eens per boot gebracht en gehaald naar degene waar men naar toe wenste te gaan. Niet te vergeten de begrafenissen vanuit de wirwar van waterwegen en vaak slecht onderhouden voetpaden.

Ingaande 13 november 1941 werd onder nummer 98 ingeschreven als lid van de Coöperatieve Vereniging voor het bewaren van pootaardappelen "Stevige Kiem" G.A.De broers en zussen van onze ouders trokken alle kanten uit. De afstanden van reizen om familiebezoek af te leggen waren soms niet gering. Fake Wimmenhove en Liebigje Kikkert woonden aan de Langedijk in het Höltie, hadden in die jaren een gesloten koets. Dit waren oom en tante van moeder Geesje Kikkert. Enkele keren per jaar leenden onze ouders deze koets en trokken zo met het paard van opa Kikkert ervoor of later het paard dat samen gehouden werd met oom Hendrik voor aan het Oostopgaande. Zo trokken wij dan naar Nieuw Balinge naar ome Harm en tante Fem Kikkert. Als we naar oom Hilbert en tante Lena aan het Noorder Hoofddiep gingen dan verliep de reis aan het eind wat apart. Als we dan voorbij de begraafplaats van Nieuweroord waren dan moesten we via een dam in de wijk naar de zuidkant van de wijk, om naar de boerderij aan het Noorder Hoofddiep te gaan. Eerst moesten wij dan nog langs de boerderij van Ymker. Dan moesten we allemaal uit de koets gaan. Het pad tussen de boerderij en de wijk was zo smal dat er gevaar bestond dat de koets om zou kieperen in de wijk.

Berichten in de Hoogeveensche Courant van toen

Bij het BEDRIJFSCHAP VOOR PLUIMVEE EN EIEREN DE BILT was hij onder registratienummer 463 ingeschreven en had hij vergunning tot het houden van 180 stuks volwassen pluimvee.Op 31 oktober 1948 hebben de bewoners langs het Oostopgaande B en W van Hoogeveen verzocht om de vergoeding van de petroleumlantaarns te verhogen en de lantaarn bij het vonder van Jan Everts, waar nu electrisch licht is, te verplaatsen naar het fietspad aan het Rechtuit.

Begin augustus 1947 werd door het bestuur van Plaatselijk Belang Hollandscheveld een pleidooi gedaan bij de Provinciale Waterstaat om iets te doen aan de slechte bevaarbaarheid van de Opgaand. De heren hebben inmiddels de zaak in ogenschouw genomen. Het antwoord was echter dat het alles nog niet onaanvaardbaar was en ook de financiële toestand liet het niet toe om te gaan ‘schonen’.

Koert Vaartjes en Koendert Streutker hebben met een lijst gelopen en de opbrengst daarvan was 334 gulden. Het Veenschap Oostopgaande zegde 500 gulden toe. De Raad heeft vervolgens gunstig besloten om een brugje te laten leggen over het Oostopgaande wat een hele verbetering is voor de bewoners van de zuidzijde van het Oostopgaande.

Het is 1941 op de foto gezet door oom Hendrik Kikkert bij opa en opoe KikkertHet Veenschap Oostopgaande is verzocht om het voetpad bij langs het Oostopgaande eens afdoende te verbeteren. Het is s’avonds levensgevaarlijk daar te passeren. In mei 1950 brengen Freerk Blokzijl en Jan de Jonge verslag uit van het gesprek met de voorzitter van het Veenschap Oostopgaande. Beloofd is nu dat de ergste gaten en slechtste plekken spoedig onder handen worden genomen. Beide heren wijzen er nog maar weer eens op dat slechte verlichting aan de vonderskant s’avonds levensgevaarlijk is.

Elk jaar moest er ook minstens een bok vol ‘rood’ zand gehaald worden voor allerlei doeleinden rondom of in de boerderij. In het pad rondom de boerderij ontstonden moddergaten die lastig waren in het dagelijks bestaan. Als er geen zand bij huis was dan werd zo’n situatie alleen maar erger. Ook op de koestal werd vaak zand gebruikt.

Het gras in de weide werd toen nog met de zeis gemaaid. Men stond dan heel vroeg op om voor het melken van de koeien, nog een paar uur te gaan grasmaaien. De zeis moest ook scherp blijven en zo moest wel eens twee keer op een dag de zeis gehard worden. Een speciale ‘haarhamer’ werd daarvoor gebruikt. Ook een ‘haarspit’. Het is haast niet uit te leggen en het was ook een heel speciaal karwei. Voor degene die dat niet goed kon was het grasmaaien een zwaarder karwei dan voor de betere zende haarders.

Ook het koren zoals haver, rogge of gerst, werd met de zeis gemaaid. Achter de maaier aan kwam dan iemand die het gemaaide gewas met de hand of met een welhaak in bossen verzamelde. Een klein deel daarvan werd als een band erom gemaakt zodat alles in een schoof bijeen bleef. Tussendoor werden de schoven, zoals die werden genoemd, rechtop tegen elkaar aangezet in zogenoemde hokken.

Ook waren er veel kleine boten meestal punters genoemd. Voor de kruideniers en bakkers en ook de atroleumventer was dat handiger in gebruik. Ook oudere personen die niet goed meer konden lopen werden nog wel eens per boot gebracht en gehaald naar degene waar men naar toe wenste te gaan. Niet te vergeten de begrafenissen vanuit het wirwar van waterwegen en vaak slecht onderhouden voetpaden. In het voorjaar van 1950 deelde de eigenaar van de boerderij Oostopgaande 18 mee dat hij het plaatsje wilde verkopen. Door de moeilijke oorlogsjaren, ziekte en tegenslag lukte het niet of ze wilden niet kopen. Zo moesten ze noodgedwongen weer verhuizen.

Met z’n vieren op de foto in 1945 voor een van de kippenhoken
In 1942 door oom Hendrik Kikkert op de foto gezet in de wei bij het hek achter de boerderij.
Vader Jan Everts, Sjaak de Wildt op paard ikzelf met kniekousen en Stella de hond
Dorsmachine voor de rogge en haver bij Boessenkool of Carstenswijk-Carstensdijk